Partijen zijn gehuwd sinds 2012 en gescheiden per 26 maart 2024. De man werd bij de rechtbank veroordeeld tot betaling van €1.588 partneralimentatie en de vrouw kreeg het uitsluitend gebruik van de woning voor zes maanden. De man verzocht om verlaging van de alimentatie en een regeling voor het gebruik van de woning, terwijl de vrouw een hogere alimentatie vorderde.
Het hof stelde vast dat het inkomen van de man fluctueert door zijn werk op zee en berekende de behoefte van de vrouw op basis van een gemiddeld inkomen over 2020 en 2021. De aanvullende behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €1.764 netto per maand, terwijl de draagkracht van de man €1.573 bruto per maand bedroeg. De alimentatie werd daarom verlaagd naar €1.573 per maand.
De man trok zijn verzoek over het gebruik van de woning in, en het hof bevestigde dat het niet redelijk is dat de vrouw een gebruiksvergoeding betaalt, gelet op haar lagere inkomen en de omstandigheden dat de man tijdelijk bij zijn moeder woont en deels afwezig is.
De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar voorwaardelijke verzoek om voorlopige voorzieningen. Het hof wees het verzoek van de vrouw om proceskostenveroordeling af, behoudens de eerdere kostenveroordeling. De beschikking van de rechtbank werd op het punt van alimentatie vernietigd en herzien, de rest werd bekrachtigd.