In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland is de verdachte veroordeeld voor meermalen gepleegde oplichting en valsheid in geschrifte. De verdachte had als zzp’er valse facturen ingediend bij een bedrijf terwijl hij reeds in loondienst was, waardoor hij zichzelf meer dan €300.000,- onrechtmatig had bevoordeeld.
Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de feiten, maar vernietigt de strafoplegging en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. De straf is aangepast naar een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en een taakstraf van 240 uur, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn schuldenlast, spijtbetuiging, en de overschrijding van de redelijke termijn.
De civiele vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat deze reeds onherroepelijk is behandeld in een civiele procedure. De advocaatkosten worden niet vergoed omdat deze niet als rechtstreeks geleden schade uit de strafbare feiten worden beschouwd.
Het hof bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt. Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 juli 2024.