ECLI:NL:GHAMS:2024:1908
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Huurrecht toewijzing aan vrouw en bevel verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding
De zaak betreft een geschil over het huurrecht van de echtelijke woning na echtscheiding tussen de man en vrouw, die in 2016 in Pakistan zijn gehuwd en in 2024 zijn gescheiden. De rechtbank had het huurrecht aan de man toegewezen, maar de vrouw, die met haar ernstig gehandicapte dochter in de woning wil blijven, ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Tevens verzocht zij om een verdeling van de huwelijksgemeenschap en partneralimentatie.
In hoger beroep oordeelde het hof dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek om het huurrecht toe te wijzen, ondanks dat zij dit verzoek niet helder formuleerde bij de rechtbank. Het hof weegt het belang van de vrouw zwaarder vanwege de zorg voor haar dochter die intensieve ondersteuning nodig heeft en de geschiktheid van de woning voor rolstoelgebruik. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de woning nodig heeft vanwege knieproblemen. Het verzoek om partneralimentatie werd echter niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat in de procedure werd ingediend, na het verweerschrift van de man.
Het hof beveelt tevens de verdeling van de huwelijksgemeenschap bij helfte met de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg als peildatum. De vrouw wordt met ingang van 9 oktober 2024 huurder van de woning, met uitsluiting van de man, die tot die datum tijd krijgt om alternatieve woonruimte te vinden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het overige in hoger beroep verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De vrouw wordt huurder van de echtelijke woning, de huwelijksgemeenschap wordt bij helfte verdeeld, en het verzoek om partneralimentatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.