Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die voor en na de geboorte van hun minderjarige feitelijk in gezinsverband hebben gewoond, zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking over kinderalimentatie. Het geschil betreft de hoogte van de alimentatie, de verdeling van verblijfs- en verblijfsoverstijgende kosten, de draagkracht van partijen en de ingangsdatum van de alimentatie.
Het hof stelt vast dat partijen feitelijk hebben samengewoond en dat het netto besteedbaar gezinsinkomen bepalend is voor de behoefte van het kind. De vrouw draagt alle verblijfsoverstijgende kosten, zoals schoolgeld en kleding. De man betaalt een bijdrage van €259 per maand, rekening houdend met een zorgkorting van 35% vanwege de zorgverdeling.
De draagkracht van de man is vastgesteld op basis van zijn salaris als directeur-grootaandeelhouder en een redelijk te verwachten dividend, terwijl de draagkracht van de vrouw op €928 per maand is vastgesteld. Het hof bepaalt dat de vrouw de helft van het te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie vanaf 22 november 2022 moet terugbetalen in maandelijkse termijnen van €100.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de bijdrage van de man betreft en het hof doet opnieuw recht met deze aangepaste regeling.
Uitkomst: De man betaalt vanaf 22 november 2022 €259 per maand kinderalimentatie en de vrouw betaalt de helft van het te veel ontvangen bedrag terug in maandelijkse termijnen.