Deze zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, [minderjarige 1], die sinds 31 maart 2023 uit huis geplaatst is vanwege zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid. De moeder is tegen deze verlenging en verzoekt tevens om benoeming van een bijzondere curator voor haar dochter, wat door het hof is afgewezen.
De feiten tonen aan dat de ouders gescheiden zijn en dat er langdurige spanningen en conflicten zijn, die de opvoeding en verzorging van de minderjarige bemoeilijken. Diverse hulpverleningsinstanties zijn betrokken geweest, waaronder de GI, de Raad voor de Kinderbescherming, en meerdere zorgaanbieders. Ondanks hulpverlening en een lichte verbetering bij de minderjarige, blijven er ernstige zorgen bestaan over haar welzijn, schoolverzuim, en risicovol gedrag.
Het hof overweegt dat de gronden voor de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat het in het belang van de minderjarige is dat zij in een stabiele, professionele omgeving verblijft. De moeder heeft onvoldoende aangetoond dat zij een veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator wordt afgewezen omdat geen belangenconflict tussen de moeder en de minderjarige is vastgesteld en de minderjarige voldoende betrokken is in de procedure.
De beschikking van de kinderrechter van 23 november 2023 wordt bekrachtigd, waarmee de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 14 juni 2024.