ECLI:NL:GHAMS:2024:1250
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verwerping hoger beroep inzake spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren minderjarige [minderjarige 1]. De kinderrechter in Amsterdam wees het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming af, waarna de raad in hoger beroep ging. De moeder was het eens met de afwijzing.
Tijdens de procedure bleek dat de minderjarige inmiddels geboren was en reeds uit huis geplaatst op basis van een spoedmachtiging. De raad stelde dat de moeder onvoldoende zorg kon bieden en dat een veilige plaatsing in een pleeggezin noodzakelijk was. De moeder betoogde dat het verzoek inmiddels in feite overtollig was geworden.
Het hof oordeelde dat het belang van de raad bij het hoger beroep was komen te vervallen omdat het doel – de uithuisplaatsing van de minderjarige – al was bereikt met de spoedmachtiging van de kinderrechter. Daarom wees het hof het hoger beroep af zonder inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Raad voor de Kinderbescherming wordt verworpen omdat het belang bij het beroep is komen te vervallen.