ECLI:NL:GHAMS:2024:1120

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
200.324.822/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 lid 1 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot wraking na einduitspraak in strafzaak

In deze strafrechtelijke procedure bij het Gerechtshof Amsterdam heeft verzoeker op 9 april 2024 tijdens de mondelinge behandeling een verzoek tot wraking ingediend tegen de behandelend raadsheer, direct na de uitspreking van de einduitspraak.

De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 512 en Pro 513 van het Wetboek van Strafvordering en jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarbij is overwogen dat wraking alleen mogelijk is indien sprake is van gegronde vrees voor partijdigheid en dat het verzoek tijdig moet worden gedaan zodra de feiten bekend zijn.

Omdat het verzoek pas na de einduitspraak werd gedaan, is het doel van wraking – het voorkomen dat een rechter de zaak verder behandelt – niet meer te bereiken. Dit maakt het verzoek niet-ontvankelijk. De wrakingskamer heeft het verzoek daarom zonder inhoudelijke behandeling afgewezen.

De beslissing is genomen door drie raadsheren en is op 18 april 2024 uitgesproken. De griffier en raadsheren waren niet in staat de beslissing te ondertekenen.

Uitkomst: Verzoek tot wraking na einduitspraak is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
parketnummer hoofdzaak : 23-000696-23
zaaknummer : 200.324.822/01
beslissing van de wrakingskamer van 18 april 2024
inzake het op 9 april 2024 gedane verzoek door
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
In de strafrechtelijke procedure met bovengenoemd parketnummer (hierna: de hoofdzaak) heeft op 9 april 2024 de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting is de tijdigheid van het hoger beroep besproken. Na de standpuntenwisseling heeft de behandelend raadsheer, mr. E. van Die (hierna: de raadsheer), de beslissing in het openbaar uitgesproken.
1.2.
Nadat de raadsheer de beslissing had uitgesproken, heeft de verzoeker ter zitting een verzoek tot wraking gedaan jegens de raadsheer.
1.3.
De raadsheer heeft te kennen gegeven niet te berusten in het verzoek tot wraking en heeft een schriftelijke reactie gegeven inhoudende dat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.De beoordeling

2.1.
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Volgens artikel 513, lid 1, Sv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
2.3.
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de raadsheer in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van een rechter die deze uitspraak heeft gedaan (zie o.a. de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010, ECLI:NL:2010:BJ9926 en 2 november 2010, ECLI:NL:2010:BN2366). Het met wraking beoogde doel dat een rechter de zaak niet (verder) behandelt, kan immers niet meer worden bereikt. Om die reden is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
2.4.
Gelet op het voorgaande kan – overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4 lid 2 onder d van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam – het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is op 18 april 2024 gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. I.A. van der Burg en mr. A.E. Kleene – Krom in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier.
De griffier, de oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.