Uitspraak
1.Het geding
2.De feiten en het procesverloop
3.Het wrakingsverzoek
naonderzoek van de zaak kan worden uitgesproken, wat betekent dat dit ook na terugwijzing door de Hoge Raad nog mogelijk is;
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een wrakingsverzoek van een verdachte tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam in een hoger beroep strafzaak waarin hij veroordeeld werd voor afpersing en witwassen. Het verzoek volgde op de afwijzing van een preliminair verweer om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep tegen een vrijspraak in een van de zaken.
De verdachte stelde dat het hof door het verwerpen van dit verweer en het voortzetten van de inhoudelijke behandeling feitelijk het vervolgingsmonopolie van het OM overnam, wat volgens hem de schijn van vooringenomenheid wekte. Hij verzocht tevens om het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking niet kan worden gebruikt als middel tegen onwelgevallige beslissingen en dat de beslissingen van de raadsheren niet zodanig onbegrijpelijk waren dat alleen vooringenomenheid als verklaring overbleef. Ook vond de kamer geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het verzoek tot wraking en het stellen van prejudiciële vragen werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.