Uitspraak
;
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats van hun vier minderjarige kinderen na echtscheiding. De rechtbank had bepaald dat twee van de kinderen bij de vader verbleven, terwijl de moeder dit onterecht vond en in hoger beroep ging.
Tijdens het hoger beroep is vastgesteld dat de zorgregeling recentelijk door de vader wordt nagekomen, maar dat de ouders geen afspraken kunnen maken over de financiële verdeling van de kosten voor de kinderen. Dit leidt tot ongelijkheid en onduidelijkheid, wat het belang van de kinderen schaadt.
Het hof oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat zij allemaal dezelfde hoofdverblijfplaats hebben en dat alle verblijfsoverstijgende kosten door één ouder worden voldaan. Daarom vernietigt het hof de eerdere beschikking voor de periode na 1 april 2023 en wijst het het verzoek van de vader af, zodat de hoofdverblijfplaats van alle kinderen weer bij de moeder komt te liggen.
Het hof benadrukt het belang van betere communicatie tussen de ouders en raadt mediation en hulp van het Ouder- en Kind Team aan om toekomstige afspraken te faciliteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de periode van 6 juli 2022 tot 1 april 2023 blijft ongewijzigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van alle kinderen per 1 april 2023 weer bij de moeder ligt.