Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam inzake witwassen van een geldbedrag van circa €26.120. De verdachte werd ervan beschuldigd dat hij dit geldbedrag had verworven en gebruikt terwijl hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf en dat hij daarvan een gewoonte had gemaakt.
Tijdens de zitting gaf de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring dat het geld afkomstig was uit een lening en spaargeld uit autohandel. Deze verklaring werd ondersteund door een getuige die onder ede verklaarde en een schriftelijke geldleenovereenkomst overhandigde. Ondanks het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen door de omstandigheden waaronder het geld werd aangetroffen, heeft het openbaar ministerie nagelaten nader onderzoek te verrichten om de juistheid van de verklaring van de verdachte te weerleggen.
Het hof oordeelde dat het tenlastegelegde niet bewezen kon worden omdat het vermoeden niet was ontzenuwd. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de verdachte werd vrijgesproken. Tevens werd gelast dat de inbeslaggenomen geldbedragen aan de verdachte worden teruggegeven.