Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2011 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van het huwelijk is het huurrecht van de gezamenlijke woning toegewezen aan de vrouw, waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. De man is in hoger beroep gekomen tegen deze toewijzing en de zorgregeling.
De man betoogt dat hij sinds 2007 in de woning woonde en dat het huurrecht aan hem toegewezen moet worden, mede vanwege zijn gebrek aan woonruimte en de nadelige gevolgen voor de omgang met de kinderen. Tevens verzoekt hij om een onvoorwaardelijke verdeling van vakanties en islamitische feestdagen.
De vrouw stelt dat het belang van de kinderen, met name de oudste zoon met selectief mutisme, vraagt om continuïteit en stabiliteit in de huidige woning en omgeving. Ook wijst zij op de slechte onderlinge verhoudingen en veiligheidszorgen. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt de toewijzing aan de vrouw en benadrukt het belang van een stabiele omgeving.
Het hof overweegt dat het belang van de kinderen en de hoofdverblijfplaats bij de vrouw doorslaggevend zijn voor de toewijzing van het huurrecht. De man heeft onvoldoende concrete voorstellen gedaan voor woningruil. De uitbreiding van de zorgregeling wordt afgewezen omdat deze niet in het belang van de kinderen is, gelet op de minimale omgang en de weerstand van de kinderen.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de toewijzing van het huurrecht aan de vrouw en wijst het verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling af.