De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs op 26 november 2020 te Amsterdam. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder geldig rijbewijs een personenauto bestuurde op de openbare weg. Hoewel de kantonrechter eerder een onvoorwaardelijke hechtenis van tien dagen oplegde en het Openbaar Ministerie twee weken voorwaardelijke hechtenis vorderde, legde het hof een geheel voorwaardelijke hechtenis van één maand op.
Het hof nam in aanmerking dat de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld was voor soortgelijke feiten en nog in een proeftijd verkeerde, wat het feit ernstig maakte. Desondanks achtte het hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het verlaten van een negatief sociaal netwerk, woonachtig zijn bij zijn moeder, een afbetalingsregeling voor schulden, werk en openheid voor hulpverlening, aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen.
De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke hechtenis van een week werd afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde strafbaar werd verklaard en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van één maand met een proeftijd van twee jaar.