ECLI:NL:GHAMS:2023:462

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2023
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
23-002567-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 116 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke hechtenis voor rijden zonder rijbewijs ondanks recidive

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs op 26 november 2020 te Amsterdam. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder geldig rijbewijs een personenauto bestuurde op de openbare weg. Hoewel de kantonrechter eerder een onvoorwaardelijke hechtenis van tien dagen oplegde en het Openbaar Ministerie twee weken voorwaardelijke hechtenis vorderde, legde het hof een geheel voorwaardelijke hechtenis van één maand op.

Het hof nam in aanmerking dat de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld was voor soortgelijke feiten en nog in een proeftijd verkeerde, wat het feit ernstig maakte. Desondanks achtte het hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het verlaten van een negatief sociaal netwerk, woonachtig zijn bij zijn moeder, een afbetalingsregeling voor schulden, werk en openheid voor hulpverlening, aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke hechtenis van een week werd afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde strafbaar werd verklaard en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één maand voorwaardelijke hechtenis met een proeftijd van twee jaar wegens rijden zonder rijbewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001567-22
datum uitspraak: 23 februari 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 96-073639-21 en 96-187008-19 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 26 november 2020 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Tijnmuiden, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 november 2020 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Tijnmuiden, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 10 dagen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van twee weken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto zonder dat hij daarvoor een rijbewijs had. Dit is een overtreding waardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. Bovendien is de verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2023 eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld en liep hij in het kader van een van die veroordelingen nog in een proeftijd. Deze veroordelingen hebben kennelijk weinig tot geen indruk op de verdachte gemaakt en hem er in ieder geval niet van weerhouden onderhavig feit te begaan.
De aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigen, in het licht van de recidive, in beginsel geen andere straf dan een onvoorwaardelijke hechtenis.
Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht, aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het reclasseringsadvies van 6 februari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte zijn negatieve sociale netwerk achter zich heeft gelaten. De reclassering acht het in dat licht onwenselijk dat hij deze contacten tegen zou komen in een detentieomgeving. De verdachte woont bij zijn moeder, hij heeft een afbetalingsregeling getroffen voor zijn schulden en hij heeft werk. De verdachte staat open voor hulpverlening.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke hechtenis van na te melden duur passend en geboden.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft het hof verzocht om de zaak aan te houden, teneinde zijn cliënt gebruik te laten maken van zijn aanwezigheidsrecht, indien het hof voornemens is aan de verdachte een onvoorwaardelijke hechtenis op te leggen. Deze voorwaarde is niet ingegaan, nu het hof geen onvoorwaardelijke hechtenis oplegt. Het verzoek behoeft dan ook geen bespreking en het hof zal eindarrest wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 14 januari 2020 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof acht – in het licht van hetgeen in het kader van de strafoplegging reeds is besproken – termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot
hechtenisvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking O.M., strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 14 januari 2020, parketnummer 96-187008-19, voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van 1 week.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2023.
mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]