Op 8 oktober 2020 werd verdachte samen met een medeverdachte aangehouden in Rotterdam in een auto waarin ruim 5,7 kilogram hennep werd aangetroffen. De politie handelde op basis van een melding over verdachte gedragingen en vond de hennep in een kartonnen doos in de kofferbak. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat de fouillering en doorzoeking onrechtmatig waren en dat hij geen wetenschap had van de hennep.
Het hof oordeelde dat de fouillering en doorzoeking rechtmatig waren, gelet op het redelijk vermoeden van schuld op grond van de feiten, waaronder het tegenstrijdige verhaal over het geld en de toestemming van de medeverdachte voor de doorzoeking. Ook achtte het hof bewezen dat verdachte wist van de hennep, mede gelet op de overeenkomsten met een later bezorgd pakket met hennep en een soortgelijke lege doos in de gehuurde woning.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 15 weken, met aftrek van voorarrest. De straf is hoger dan in eerste aanleg en hoger dan geëist door de advocaat-generaal, mede vanwege de hoeveelheid hennep en de maatschappelijke impact van de drugshandel. De redelijke termijn werd overschreden, waardoor de straf met een week werd verminderd.