In deze civiele zaak stond centraal of er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen voormalige echtgenoten die samen een onderneming dreven. De vrouw vorderde betaling van achterstallig salaris en vakantietoeslag, terwijl de man dit betwistte en stelde dat geen arbeidsovereenkomst was gesloten.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat onvoldoende bewijs was voor een gezagsverhouding en daarom geen arbeidsovereenkomst bestond. Het hof bevestigde dit oordeel, waarbij het benadrukte dat een gezagsverhouding binnen een huwelijk niet snel wordt aangenomen en dat de vrouw onvoldoende feiten had gesteld om dit te onderbouwen.
De vrouw voerde aan dat zij een ondersteunende en uitvoerende rol had binnen de onderneming, maar het hof vond dat haar rol eerder een zelfstandige en proactieve bedrijfsvoering betrof, wat niet strookt met ondergeschiktheid. Ook het incidentele appel van de man werd afgewezen, waarbij de proceskostenregeling tussen ex-echtgenoten werd bekrachtigd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat ieder der partijen de eigen proceskosten in hoger beroep draagt.