ECLI:NL:GHAMS:2023:3438
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beschikking voorlopig getuigenverhoor in aansprakelijkheidszaak afgewezen
In deze zaak staat een geschil centraal over een verkeersbotsing tussen de appellant en een verzekerde van a.s.r. De appellant stelde a.s.r. aansprakelijk voor de schade, omdat de verzekerde door rood zou zijn gereden. A.s.r. verzocht in eerste aanleg om een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 186 Rv Pro, hetgeen door de rechtbank werd toegewezen. De appellant kwam hiertegen in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat op grond van artikel 188 lid 2 Rv Pro geen hoger beroep openstaat tegen een beschikking tot voorlopig getuigenverhoor, tenzij sprake is van een doorbrekingsgrond. De appellant voerde aan dat de rechtbank artikel 186 Rv Pro met verzuim van essentiële vormen had toegepast, omdat het onderzoeksrapport van het door a.s.r. ingeschakelde onderzoeksbureau niet was overgelegd, wat volgens hem een fundamenteel rechtsbeginsel schond.
Het hof oordeelt dat de rechtbank dit standpunt wel degelijk heeft betrokken en de belangen van partijen heeft afgewogen. Het niet overleggen van het rapport bij het verzoekschrift leidde niet tot afwijzing van het verzoek. Ook werd het rapport later alsnog aan de appellant verstrekt. Het hof concludeert dat geen sprake is van verzuim van essentiële vormen of een onrechtmatige behandeling.
Daarmee is het appelverbod niet doorbroken en kan het hoger beroep niet ontvankelijk worden verklaard. Het hof wijst het hoger beroep af en veroordeelt de appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af wegens het niet doorbreken van het appelverbod en veroordeelt appellant in de proceskosten.