Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep tegen het ontslag van verzoekster als executeur van de nalatenschap van hun moeder, erflaatster, die in 2019 overleed. De nalatenschap omvat onder meer aandelen in een BV die erfpachter is van een waardevol pand. Verzoekster en verweerder zijn erfgenamen en hadden samen de executele. Verzoekster werd door de kantonrechter ontslagen op grond van gewichtige redenen, met name een ernstige vertrouwensbreuk met verweerder.
Verzoekster betwist het ontslag en stelt dat het vertrouwen van een erfgenaam geen zelfstandige grond voor ontslag mag zijn zonder tekortschieten in de taakvervulling. Zij wijst erop dat zij als bestuurder van de BV bevoegd is over het pand te beschikken en dat de belangenverstrengeling was voorzien in het testament. Verweerder stelt dat verzoekster haar taak niet goed vervulde, belangenverstrengeling bestond en dat de vertrouwensbreuk onwerkbare situaties veroorzaakt.
Het hof oordeelt dat het ontslag terecht is, niet vanwege tekortschieten, maar vanwege de onwerkbare situatie door het diep wantrouwen tussen partijen. Het hof bekrachtigt het ontslag en wijst mr. E aan als vervangend executeur, ondanks het testament dat de stichting als vervanger aanwijst, omdat de stichting niet neutraal wordt geacht en mr. E al veel werkzaamheden heeft verricht. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familieverhouding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van verzoekster als executeur en handhaaft de benoeming van mr. E als vervangend executeur.