Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de kinderrechter inzake de omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige 1], die sinds 2020 onder toezicht staat en bij de vader woont na een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
De vader verzocht om de regie en frequentie van de omgang aan de gecertificeerde instelling (GI) over te laten, met behoud van begeleide omgang in de woonomgeving van de vader. De moeder wilde een ruimere omgangsregeling waarbij de minderjarige om de twee weken een weekend bij haar verblijft. De GI en de raad benadrukten het belang van begeleide omgang en het voorkomen van overbelasting van het kind door lange reistijden.
Het hof oordeelde dat het belang van het kind gebaat is bij duidelijkheid en structuur en stelde een regeling vast waarbij de moeder en de minderjarige twee keer per maand begeleide omgang hebben, waarvan één moment minimaal twee uur in de woonomgeving van de vader plaatsvindt. De GI krijgt regie over het andere moment om de omgang aan te passen aan de behoeften van het kind. De omgang dient begeleid te blijven vanwege de complexiteit van de situatie en het loyaliteitsconflict bij het kind.
Daarnaast benadrukte het hof het belang van contact tussen de minderjarige en zijn broertjes, waarbij de GI een actievere rol moet spelen om ontmoetingen mogelijk te maken. Het verzoek van de moeder tot een ruimere omgang werd afgewezen omdat dit nog niet in het belang van het kind is.
Uitkomst: Het hof stelt een begeleide omgangsregeling vast waarbij de moeder en minderjarige twee keer per maand contact hebben met regie voor de GI over één omgangsmoment.