ECLI:NL:GHAMS:2023:2763
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige dochter heeft verleend. De vader betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat deze schadelijk is voor de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van zijn dochter. Hij verzoekt om vernietiging van de beschikking en terugplaatsing van de minderjarige bij hem, al dan niet met een zorgverdeling.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stellen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, die kampt met gedragsproblemen zoals automutilatie en overmatig eten. De minderjarige voelt zich onveilig thuis en heeft sinds december 2022 geen contact met haar vader. De GI benadrukt dat het contact tussen vader en dochter eerst begeleid moet worden om voorspelbaarheid en veiligheid te waarborgen.
Het hof overweegt dat de omstandigheden ten tijde van de uithuisplaatsing zeer zorgelijk waren. De minderjarige verbleef alleen zonder opvoeder, terwijl de vader afwezig en onbereikbaar was. Er zijn ernstige zorgen over haar veiligheid en welzijn. Het hof acht de machtiging tot uithuisplaatsing rechtmatig en in het belang van de minderjarige. Het contact met de vader is belangrijk voor haar identiteitsontwikkeling, maar moet onder supervisie van de GI plaatsvinden. De vader wordt opgeroepen samen te werken en afspraken na te komen.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en bevestigt de uithuisplaatsing tot 9 maart 2024.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd tot 9 maart 2024.