Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake de ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van bedrijfsmatig telen van hennep en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €172.210, waarvan €167.210 moest worden betaald aan de Staat.
In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld. Het hof vond de verklaring van betrokkene aannemelijk dat hij sinds 2014 regelmatig hennep knipte en daarmee circa €26.000 verdiende. De rol van betrokkene was ondergeschikt, en er was onvoldoende bewijs voor een hoger voordeel zoals door het Openbaar Ministerie gesteld.
Het hof mat de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn met tien procent, waardoor betrokkene €23.400 moet betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 468 dagen. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 2 november 2023.