In deze civiele zaak vordert Springfield terugbetaling van een bedrag van €950.000 dat zij aan Hampton heeft betaald, stellende dat deze betaling onverschuldigd was. De rechtbank Noord-Holland had de vordering van Springfield deels toegewezen, omdat zij oordeelde dat de betaling onverschuldigd was verricht. Hampton ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
Het hof beoordeelde dat Springfield onvoldoende had onderbouwd dat de betaling onverschuldigd was. Er was geen bewijs dat de betaling losstond van een investering in een vastgoedproject in Cefalu, Italië. Hampton legde uit dat het bedrag onderdeel was van een gezamenlijke investering in dat project, ondersteund door bankafschriften, getuigenverklaringen en verklaringen van betrokkenen.
Omdat Springfield haar stelplicht en bewijslast niet had voldaan, werd de vordering afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrekking had op de vordering van Springfield tegen Hampton en wees deze vordering volledig af. Tevens werd Hampton niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis voor zover dit betrekking had op Matsson en een derde partij.
De proceskosten van beide instanties werden aan Springfield opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door het gerechtshof Amsterdam op 29 augustus 2023.