ECLI:NL:GHAMS:2023:165
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Huurrecht voormalig echtelijke woning na echtscheiding tussen ouders met minderjarig kind
Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarig kind dat bij de vrouw woont. De vrouw verzocht om toewijzing van het huurrecht van de voormalig echtelijke woning, omdat haar kinderen in de buurt naar school gaan en de woning voldoende ruimte biedt. De man, die onder bewind staat vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand, stelde dat zijn belang zwaarder weegt vanwege zijn gezondheid, emotionele binding met het ouderlijk huis en gebrek aan alternatieve woonruimte.
Het hof stelde vast dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht, maar dat het perspectief van de vrouw op het verkrijgen van een andere woning groter is omdat zij een urgentieverklaring kan krijgen, terwijl de man die niet heeft. De man woont sinds 2006 in de woning en kampt met diverse gezondheidsproblemen, maar staat pas sinds 2021 ingeschreven bij de woningbouwvereniging en heeft weinig kans op de woningmarkt.
Hoewel het niet wenselijk is dat partijen onder één dak blijven wonen, bleek uit de huidige situatie dat zij dit kunnen gedogen. Het hof vond geen reden om de zaak aan te houden en besloot de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, waarbij de man als enige huurder van de woning wordt aangewezen. Het verzoek van de vrouw werd afgewezen.
Uitkomst: Het huurrecht van de voormalig echtelijke woning wordt toegewezen aan de man; het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.