ECLI:NL:GHAMS:2023:1411
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep strafzaak
In deze zaak heeft de verdachte op 30 maart 2023 tijdens de openbare terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie raadsheren die zijn hoger beroep behandelen. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid vanwege het gebruik van een verkort proces-verbaal dat volgens de verdachte vervalst zou zijn en het niet toestaan van een laatste woord na de conclusie van de advocaat-generaal.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig moet worden vermoed, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aannemelijk maken. De kamer stelde vast dat het verkorte proces-verbaal een zakelijke weergave is en dat de verdachte erkende dat de kern van zijn argumenten daarin correct was weergegeven.
De wrakingskamer oordeelde verder dat het wrakingsverzoek niet kan dienen als middel tegen onwelgevallige beslissingen en dat de motivering van de beslissing niet zodanig onbegrijpelijk was dat deze alleen door vooringenomenheid kon worden verklaard. Ook de procedurele beslissing om de verdachte niet toe te staan nogmaals het woord te voeren, werd niet als indicatie van partijdigheid gezien.
Op 7 april 2023 heeft het hof het wrakingsverzoek formeel afgewezen. Hiermee blijft de samenstelling van de raadsheren ongewijzigd en wordt het hoger beroep voortgezet onder hun leiding.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve gronden voor partijdigheid.