De zaak betreft een werknemer die van december 2007 tot begin 2021 in dienst was bij een schoonmaakbedrijf en vorderingen instelde wegens onjuist ingeschaald loon en achterstallige betalingen. De werknemer stelde dat hij conform de cao recht had op inschaling in loongroep I plus 5% functietoeslag op basis van een 40-urige werkweek, wat door de werkgever werd betwist. Na eerdere vonnissen en een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, werd het arrest door de Hoge Raad vernietigd en verwezen voor nadere behandeling.
In de procedure na verwijzing heeft het hof vastgesteld dat de rechtsstrijd zich beperkt tot de juiste berekening van de loonvordering, waarbij is uitgegaan van een 38-urige werkweek en de functie-indeling loongroep I plus 5%. De werkgever heeft een herberekening overgelegd met een lager bedrag dan de werknemer eist. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen over de exacte berekening van de vordering, mede omdat onduidelijkheid bestaat over de bruto- of nettowaarde van de bedragen en de opbouw daarvan.
Het hof heeft partijen verzocht om aanvullende stukken en berekeningen in te dienen en heeft de zaak aangehouden voor verdere beslissing. Tevens heeft het hof partijen geadviseerd om te proberen tot een schikking te komen vanwege het geringe verschil in de vordering. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 mei 2023.