Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.De eerste aanleg
5.Beoordeling
€ 10.443,-(tarief V, 3 punten)
Gerechtshof Amsterdam
Tijdens het faillissement van een vennootschap heeft Deutsche Bank A.G. een vergoeding berekend volgens het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (UHK). De bank bracht op deze vergoeding een eerder verleende compensatie en een openstaande schuld in mindering en bood het restant aan de curator aan. De curator verwierp dit aanbod en stelde dat verrekening in faillissement niet was toegestaan.
De rechtbank wees de vorderingen van de curator af, en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat het bank vrijstond het aanbod te doen zoals zij had gedaan, inclusief de verrekening van eerdere compensaties en openstaande schulden. Het hof stelde dat het UHK geen recht in de zin van de Wet op de rechterlijke organisatie is en dat het niet aan het hof is om de uitleg van de bank aan het UHK te toetsen.
De curator had het aanbod niet aanvaard, waardoor het verviel. Er was geen overeenkomst bereikt en geen verplichting voor de bank om een nieuw aanbod te doen. De curator werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep van de curator af, waarbij de bank gerechtigd blijft tot verrekening van compensatie met schuld.