Partijen, ongehuwde samenwoners sinds 1996, kochten samen een woning en sloten een notariële samenlevingsovereenkomst waarin zij afspraken over gemeenschappelijke huishouding en beperkte gemeenschappelijke goederen. De rechtbank oordeelde dat de saldi op de Rabo beleggingsrekening en Moneyou spaarrekening(en) niet gemeenschappelijk waren, omdat deze rekeningen niet bedoeld waren voor de gemeenschappelijke huishouding en de stortingen van elk partij privévermogen betroffen.
In hoger beroep betwistte appellante deze beoordeling en stelde dat de rekeningen en saldi wel gemeenschappelijk waren, mede omdat de rekeningen en/of-rekeningen waren geworden en partijen samen een toekomst en vermogen wilden opbouwen. Het hof oordeelde echter dat de tenaamstelling van de rekeningen geen uitsluitsel geeft over de onderlinge eigendomsrechten en dat de samenlevingsovereenkomst een beperkt regime van gemeenschappelijk vermogen bevatte.
Het hof concludeerde dat de stortingen op de beleggings- en spaarrekeningen privévermogen zijn gebleven en niet gemeenschappelijk zijn geworden. Wel erkende het hof dat het saldo op de Moneyou spaarrekening deels bestond uit rente over het door appellante gestorte bedrag en schatte dit rentebedrag op € 500,-. Het hof vernietigde daarom het vonnis voor zover het de Moneyou spaarrekening betrof en bepaalde een nieuwe verdeling met een uitvoerbare veroordeling tot terugbetaling van het verschil.
De overige grieven faalden en het hof bekrachtigde het vonnis voor het overige. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.