ECLI:NL:GHAMS:2022:859

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
22 maart 2022
Zaaknummer
000903-21 (530 Sv) en 000904-21 (533 Sv)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding voorlopige hechtenis na oplegging straf

De verzoeker heeft bij het Gerechtshof Amsterdam een verzoek ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van voorlopige hechtenis en gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Dit verzoek volgde op een strafzaak waarin de verzoeker was veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Het hof overwoog dat artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering een vergoeding voor schade door voorlopige hechtenis alleen toelaat indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. Omdat de verzoeker veroordeeld was, kon hij niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

Daarnaast oordeelde het hof dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure niet toewijsbaar was, omdat het voor een rechtsgeleerde advocaat duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen.

De enkelvoudige raadkamer van het hof verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en beval onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis na oplegging van straf.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000903-21 (530 Sv) en 000904-21 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-001493-20
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. E.G. Al,
Johannis Bogaardstraat 16D, 2151 CV te Nieuw-Vennep.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 30 september 2021 ingekomen.
Op 28 oktober 2021 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het openbaar ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 8 maart 2022 de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die de verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.200,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 18 juni 2021 is de verzoeker in de strafzaak met voormeld parketnummer veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest.
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ad a
Artikel 533, eerste lid, Sv luidt als volgt:
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding uit ’s Rijks kas toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.
Nu de wet een vergoeding op voet van artikel 533 Sv Pro expliciet uitsluit in het geval de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn verzoek. Het hof zal verzoeker dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het verzoekschrift.
Ad b
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Met betrekking tot het verzoek tot forfaitaire vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure overweegt het hof dat een (deels) afwijzende beslissing op het onderliggende verzoek dat ziet op de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de verzoekschriftprocedure moet worden afgewezen. Ook bij vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure gaat het om een billijkheidsoordeel. Geen gronden van billijkheid bestaan indien het verzoeker, voorzien van een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen. In casu is hiervan sprake, gelet op tekst van de wet en de bestendige jurisprudentie van dit hof.

4.Beslissing

Het hof:
Verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de enkelvoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 maart 2022.