ECLI:NL:GHAMS:2022:859
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding voorlopige hechtenis na oplegging straf
De verzoeker heeft bij het Gerechtshof Amsterdam een verzoek ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van voorlopige hechtenis en gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Dit verzoek volgde op een strafzaak waarin de verzoeker was veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.
Het hof overwoog dat artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering een vergoeding voor schade door voorlopige hechtenis alleen toelaat indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. Omdat de verzoeker veroordeeld was, kon hij niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.
Daarnaast oordeelde het hof dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure niet toewijsbaar was, omdat het voor een rechtsgeleerde advocaat duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen.
De enkelvoudige raadkamer van het hof verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en beval onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis na oplegging van straf.