ECLI:NL:GHAMS:2022:3684
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens onvoldoende onderbouwing zelfredzaamheid
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Amsterdam die het verzoek tot opheffing van een bewind over de goederen van de rechthebbende heeft afgewezen. Het bewind was ingesteld in 2014 vanwege de lichamelijke en geestelijke toestand van de rechthebbende. In eerste aanleg werd een afbouwtraject ingesteld om de zelfredzaamheid van de rechthebbende te bevorderen.
De rechthebbende stelde dat het bewind niet langer noodzakelijk was omdat hij schuldenvrij is en weer in staat is zijn financiële belangen te behartigen. De bewindvoerder betoogde dat de rechthebbende niet digitaal vaardig is en onder invloed van alcohol vaak buiten kantoortijden contact zoekt, waardoor voortzetting van het bewind zinvol blijft.
Het hof oordeelde dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzaak tot het bewind is komen te vervallen. Uit het verslag van de bewindvoerder bleek dat de rechthebbende geen medewerking heeft verleend aan het afbouwtraject en niet heeft aangetoond financieel zelfredzaam te zijn. Ook de moeizame communicatie en de overdracht van hulpverlening aan een andere instantie ondersteunen dit oordeel.
De kinderen van de rechthebbende waren niet verschenen en hadden geen bereidverklaring overgelegd om het bewind over te nemen. Het hof concludeerde dat niet is voldaan aan de criteria voor opheffing van het bewind en bekrachtigde de bestreden beschikking.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind omdat de noodzaak nog bestaat.