ECLI:NL:GHAMS:2022:3557

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
23-000487-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:18 APV AmsterdamArt. 395a SvArt. 8 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens zonder redelijk doel ophouden tegen gebouw zonder bestanddeel bewoners of gebruikers

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij zich zonder redelijk doel op of tegen een gebouw had opgehouden door te zitten op een kartonnen doos tegen de ingang van een kantoorpand aan het Max Euweplein te Amsterdam op 22 november 2018.

De raadsman voerde vrijspraak aan omdat de verdachte dakloos is en zich daardoor noodgedwongen op straat ophoudt. Subsidiair werd gesteld dat artikel 2:18 APV Pro Amsterdam 2008 in strijd is met het legaliteitsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. De advocaat-generaal betoogde dat de beperking van vrijheden noodzakelijk is voor de openbare orde en niet in strijd is met genoemde rechtsbeginselen.

Het hof oordeelde dat de tenlastelegging en bewezenverklaring het bestanddeel "een ander dan de bewoners of gebruikers van een gebouw" ontbeert, waardoor het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. Het hof vernietigde het vonnis, sprak de verdachte vrij van het meerdere en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert door ontbreken bestanddeel bewoners of gebruikers gebouw.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000487-20
datum uitspraak: 13 december 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het
vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-246352-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Ter Apel, te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
29 november 2022.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 22 november 2018, te Amsterdam, zonder redelijk doel zich in een portiek of poort heeft opgehouden of op of tegen een raamkozijn en/of een drempel van een gebouw heeft gezeten en/of gelegen, immers heeft hij op/aan de Max Euweplein tegen de ingang van een kantoorpand op een kartonnen doos gezeten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte niet anders kan dan zich ophouden op straat, omdat hij dakloos is en op straat leeft en de invulling van zijn leven geheel plaatsvindt in de openbare ruimte. Om die reden kan, aldus de raadsman, niet bewezen worden dat de verdachte zich zonder redelijk doel heeft opgehouden in de directe omgeving van een gebouw. De raadsman heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat artikel 2.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (hierna: APV(oud)) in strijd is met het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel en met het bepaalde in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verbodsbepaling werkt willekeur in de hand en is onvoldoende ‘
foreseeable’en ‘
accessible’om als wet te kunnen gelden.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring en heeft daartoe aangevoerd dat vrijheden niet ongelimiteerd zijn en dat deze omwille van de bescherming van de openbare orde beperkt kunnen worden, hetgeen in artikel 2.18 APV (oud) is gebeurd. Van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel of met artikel 8 EVRM Pro is geen sprake.
Het hof verwerpt de verweren in alle onderdelen en overweegt daartoe als volgt.
Art. 2.18 APV (oud) is opgenomen in het hoofdstuk “Orde en veiligheid”, onder het kopje “Hinderlijk gedrag” in paragraaf 3. Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde feit als volgt:
1. Het is anderen dan de bewoners of gebruikers van een gebouw of vaartuig verboden:
a. zonder redelijk doel tegen een deur, raam of vensterbank te leunen of zich anderszins hinderlijk op te houden in de onmiddellijke omgeving van dat gebouw of vaartuig;
b. zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van dat gebouw.
2. Het is verboden zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in of bij een portiek, een portaal, een telefooncel, een parkeergarage of een soortgelijke, voor publiek toegankelijke ruimte dan wel deze ruimte te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij is bestemd.
Blijkens de toelichting op artikel 2.18 van de APV (oud) kan het verbod van dit artikel ingezet worden tegen degenen die zich zonder redelijk doel of anderszins hinderlijk ophouden bij of in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van gebouwen en andere voor publiek toegankelijke voorzieningen. Het verbod is op zijn plaats, omdat het doelloos rondhangen van personen of groepen in voor publiek bestemde ruimten dikwijls sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid oproept, waardoor een normaal gebruik van deze ruimten wordt belemmerd. Anders dan door de raadsman betoogd maakt de in de verbodsbepaling geformuleerde norm voldoende duidelijk welke gedragingen zijn verboden en strafbaar gesteld. De norm is immers in zoverre geconcretiseerd dat deze ziet op specifiek omschreven gedrag (leunen, zich ophouden) op bepaalde in het artikel onder lid 1 en 2 aangeduide plaatsen (een deur, raam, vensterbank of in de onmiddellijke ingang van een gebouw, dan wel in of bij een portiek, portaal, telefooncel, parkeergarage of een soortgelijke voor publiek toegankelijke ruimte). De bepaling is derhalve niet in strijd met het bepaaldheidsgebod. Het verbod stelt de verdachte voldoende in staat om zijn gedrag daarop af te stemmen en zich vrijelijk in de publieke ruimte te begeven. Het feit dat de verdachte dakloos is en op straat leeft maakt dit niet anders.
De verbodsbepaling is evenmin in strijd met het EVRM. Weliswaar beperkt het verbod de bewegingsvrijheid om zich te begeven in de publieke ruimte, maar het betreft een geringe beperking die noodzakelijk is te achten ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van het onbelemmerd normaal gebruik van de publieke ruimte door anderen. Daarnaast is het verbod voldoende ‘foreseeable’ en ‘accessible’. Ook is niet gebleken van handelen in strijd met het verbod van willekeur. Dat aan opsporingsambtenaren enige vrijheid toekomt bij de (wijze van) handhaving indien zij constateren dat een verbod wordt overtreden, zodat onder omstandigheden met een waarschuwing zal worden volstaan, maakt dat niet anders.
Uit het proces-verbaal van 17 december 2018 blijkt dat de verdachte op 22 november 2018 op een kartonnen doos tegen de ingang van een kantoorpand bij het Max Euweplein te Amsterdam zat. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder redelijk doel tegen een gebouw aan zat.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 november 2018 te Amsterdam, zonder redelijk doel tegen een gebouw heeft gezeten , immers heeft hij aan het Max Euweplein tegen de ingang van een kantoorpand op een kartonnen doos gezeten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, nu het bestanddeel “een ander dan de bewoners of gebruikers van een gebouw”, zoals opgenomen in artikel 2:18 lid 1 APV Pro, in de tenlastelegging en bewezenverklaring ontbreekt. De verdachte dient aldus te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.L.M. van der Voet en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 december 2022.