ECLI:NL:GHAMS:2022:3255
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijspraak wegens besturen zonder geldig rijbewijs na verlies geldigheid
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte op 29 oktober 2020 een motorrijtuig bestuurde terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs zijn geldigheid had verloren. De politierechter sprak verdachte vrij van dit feit, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep tegen deze vrijspraak.
Het hof stelde vast dat het rijbewijs van verdachte van rechtswege zijn geldigheid verloor op het moment dat een eerdere veroordeling op 18 september 2020 onherroepelijk werd. De dagvaarding voor die zitting was op correcte wijze in persoon betekend, inclusief een duidelijke mededeling over het verlies van geldigheid van het rijbewijs bij een tweede strafpunt. Hoewel verdachte verklaarde deze mededeling niet volledig te hebben gelezen, moest hij daar redelijkerwijs van op de hoogte zijn.
Het hof achtte bewezen dat verdachte op 29 oktober 2020 een personenauto bestuurde terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was. Er waren geen omstandigheden die strafbaarheid uitsloten. Gelet op de reeds opgelegde straf voor een soortgelijk feit op dezelfde dag, besloot het hof geen aanvullende straf op te leggen en vernietigde het vonnis van de politierechter voor zover het de vrijspraak betrof.
Uitkomst: Het hof verklaart bewezen dat verdachte reed terwijl zijn rijbewijs ongeldig was, maar legt geen straf op vanwege reeds opgelegde straf voor een soortgelijk feit.