Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
2.De feiten
Overeenkomst van geldlening
Gerechtshof Amsterdam
Appellant vorderde betaling van bedragen die hij in 1999 aan geïntimeerde in privé had overgemaakt, stellende dat deze onverschuldigd waren betaald omdat geïntimeerde geen rechtsgrond had voor ontvangst. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring. Appellant stelde dat de verjaring pas na het arrest van de Hoge Raad in 2012 was begonnen.
Het hof overwoog dat appellant al in 2006 bekend was met de vordering en de ontvanger, waardoor de verjaringstermijn van vijf jaar was gaan lopen op 2 augustus 2006. De vordering was pas in 2020 ingesteld, dus verjaard. Het hof vond geen aanleiding om het vonnis te vernietigen.
Ook oordeelde het hof dat er geen sprake was van misbruik van procesrecht door appellant, zodat hij niet in de werkelijke proceskosten werd veroordeeld. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van appellant is verjaard en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.