ECLI:NL:GHAMS:2022:3056
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep strafzaken
De zaak betreft een wrakingsverzoek van een verdachte in hoger beroep strafzaken met parketnummers 23-001731-21 en 23-004487-19. Het verzoek werd ingediend tijdens een zitting op 3 februari 2022 en richtte zich tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte stelde dat hij en zijn raadsman niet beschikten over een ondertekend DNA-rapport, terwijl het vonnis op basis daarvan was gewezen, en dat dit zijn verdediging schaadde.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk behandeld op 29 september 2022, waarbij de verdachte aanvankelijk door een raadsman werd bijgestaan, maar deze zich terugtrok op verzoek van de verdachte zelf. Uit het proces-verbaal bleek dat de raadsman wel degelijk over het ondertekende DNA-rapport beschikte en dat de behandeling was onderbroken om de verdediging de gelegenheid te geven het rapport te vergelijken en bespreken.
De wrakingskamer overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn functie onpartijdigheid moet worden vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De aangevoerde gronden ontbraken en het verzoek werd dan ook afgewezen. Tevens werd vastgesteld dat de verdachte meerdere wrakingsverzoeken had ingediend, maar dat hiervan geen misbruik van recht kon worden vastgesteld en geen wrakingsverbod werd opgelegd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve gronden voor vooringenomenheid.