ECLI:NL:GHAMS:2022:3055
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep strafzaak
De zaak betreft een wrakingsverzoek van een verdachte in hoger beroep tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam. Het verzoek richt zich op een pro forma zitting van 22 maart 2022, waarbij de verdachte meent onterecht het laatste woord te zijn ontzegd, wat volgens hem wijst op vooringenomenheid van de rechters.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk onderzocht. Uit het proces-verbaal blijkt dat de zitting een pro forma behandeling betrof over de voortzetting van voorlopige hechtenis, waarbij de verdachte en zijn raadsman elk één termijn kregen om het woord te voeren. De verdachte had op die zitting geen formeel recht op het laatste woord, dat pas bij de inhoudelijke behandeling aan de orde komt.
De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing om de verdachte niet het laatste woord te geven een ordemaatregel betreft die niet inhoudelijk door de wrakingskamer kan worden getoetst, tenzij sprake is van onbegrijpelijkheid die wijst op vooringenomenheid. Dit was niet het geval. De verdachte kreeg voldoende gelegenheid zijn standpunt toe te lichten en heeft niet concreet gemaakt wat hij nog wilde aanvoeren.
Verder constateert de wrakingskamer dat de verdachte meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, maar geen misbruik van recht heeft gemaakt. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.