Uitspraak
mr. C.J. van Dijk, kantoorhoudende te Ede,
mr. R.W. Karskens, kantoorhoudende te Utrecht,
mr. R.W. Karskens,kantoorhoudende te Utrecht.
- verzoekster als [A] ;
- verweerster als de vennootschap;
- belanghebbende als [B] .
Het verloop van het geding
2 Inleiding en feiten
3 Ontvankelijkheid
4.De gronden van de beslissing
estateplanning, zoals [B] onweersproken heeft aangevoerd. Eind 2019 is in die situatie in zoverre verandering gekomen dat het huwelijk tussen [B] en [A] door echtscheiding is geëindigd. [A] wenst thans dividend te ontvangen, zodat zij zelf over de uiteindelijke bestemming van haar aandeel in de gerealiseerde winst kan beslissen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het handhaven van een beleid waarbij alle winst wordt gereserveerd niet meer gerechtvaardigd is tegenover [A] als minderheidsaandeelhouder. Dit geldt temeer nu [A] uitsluitend beschikt over stemrechtloze aandelen. De huidige situatie komt erop neer dat [A] geen stemrecht heeft en geen dividend ontvangt, hetgeen op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 2:190 BW Pro. De vennootschap heeft echter ter terechtzitting toegezegd op korte termijn een dividendbeleid te zullen ontwikkelen, waarbij de gerealiseerde winst (in ieder geval gedeeltelijk) aan de aandeelhouders zal worden uitgekeerd. Gelet op deze toezegging bestaat er thans ook ten aanzien van dit onderwerp onvoldoende grond voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken.