Betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en diefstal van stroom in Sliedrecht en Voorburg, waarbij de rechtbank een ontnemingsvordering van €113.242 oplegde. In hoger beroep stelde het hof vast dat betrokkene panden in Sliedrecht en Voorburg onderverhuurde met als doel de exploitatie van hennep, waardoor de huurinkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel moesten worden beschouwd.
Het hof berekende het voordeel voor het pand in Sliedrecht op €21.800, bestaande uit het verschil tussen huurinkomsten en huurkosten plus ontvangen bedragen, en voor het pand in Voorburg op €8.250. Het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg aldus €30.050.
Daarnaast constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, aangezien de procedure ruim drie jaar en acht maanden duurde, met bijna anderhalf jaar overschrijding in hoger beroep alleen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en legde betrokkene de verplichting op tot betaling van €30.050 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 601 dagen. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, op 30 september 2022.