ECLI:NL:GHAMS:2022:275
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking gezagsbeëindiging minderjarige kinderen wegens ontbreken gronden
De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen heeft beëindigd en de gecertificeerde instelling als voogd heeft benoemd.
De rechtbank had het gezag beëindigd op grond van artikel 1:266 BW Pro, omdat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling zouden worden bedreigd en de ouders niet in staat zouden zijn de verzorging en opvoeding te dragen. De ouders betwistten dit en voerden aan dat een terug-naar-huisonderzoek ontbrak en het opvoedbesluit niet volgens de geldende normen was genomen.
De huidige gezinsvoogd gaf aan dat er positieve ontwikkelingen zijn, dat de ouders coöperatief zijn en dat er twijfel bestaat over de noodzaak van gezagsbeëindiging. De omgangsregeling verloopt goed en de voogd stelde voor om gefaseerde terugplaatsing te onderzoeken.
Het hof oordeelt dat op dit moment niet wordt voldaan aan de gronden voor gezagsbeëindiging en vernietigt de beschikking voor zover het gezag is beëindigd. Het verzoek van de raad tot beëindiging wordt afgewezen. De voogd zal in samenspraak met de ouders onderzoeken welke beschermingsmaatregelen nodig zijn.
Uitkomst: De beschikking tot beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen wordt vernietigd en het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen.