Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan dat in 2021 is ontbonden. Zij hebben twee minderjarige kinderen en partnerschapsvoorwaarden opgesteld waarin vermogensverrekening bij ontbinding is geregeld, met uitsluiting bij negatief vermogen.
De man kwam in hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoeken tot partner- en kinderalimentatie, vermogensverrekening en overdracht van aandelen. Hij betwistte onder meer de vastgestelde fictieve huur en het inkomen, en stelde dat alleen het tijdens het partnerschap ontstane vermogen in aanmerking moest worden genomen.
Het hof oordeelde dat het inkomen van de man hoger is dan hij stelt en dat hij meer inkomen kan genereren. De partnerschapsvoorwaarden laten een verrekening achterwege bij negatief vermogen, waarbij ook rente en kosten na aanvang partnerschap worden betrokken. De vordering van de vrouw wegens geldlening vertoont voldoende samenhang met de ontbinding en is terecht toegewezen. Het verzoek tot overdracht van aandelen faalt omdat geen concrete afspraak is aangetoond.
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, compenseert de kosten van het hoger beroep en wijst verdere verzoeken af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de verzoeken van de man af.