Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.NISSAN-MITSUBISHI B.V.en
NISSAN INTERNATIONAL HOLDING B.V.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
de tweede grief 5 in het principale hoger beroepgericht. Het hof zal daarmee rekening houden. Omdat de door de rechtbank vastgestelde feiten voor het overige tussen partijen niet ter discussie staan, zal ook het hof daarvan uitgaan. Zij behelzen het volgende.
Chairmanen
Chief Executive Office( CEO ) geweest van zowel Nissan Motor Co., Ltd (hierna: Nissan) als Mitsubishi Motors Corporation (hierna: Mitsubishi). Daarnaast was hij
Chairmanen CEO van Renault SA (hierna: Renault) en van de RenaultNissan-Mitsubishi Motor Alliance.
president of the companybekleedt, tegen een salaris van € 400.000,00 bruto per jaar exclusief emolumenten. In de andere arbeidsovereenkomst is vermeld dat [appellant] in dienst treedt als
managing directoren
member of the managing board, tegen een jaarlijks brutoloon van € 100.000,00 exclusief emolumenten.
Chairmanvan Nissan.
Shareholders Agreementvan 22 mei 2017. In artikel 3.1.6 hiervan is het volgende opgenomen:
“The Board of Directors shall determine the remuneration and other terms and conditions which apply to the Directors.”
Services Agreementgesloten, beide gewijzigd op 19 juni 2018, op basis waarvan Nissan en Mitsubishi aan NMBV
service feeshebben betaald als vergoeding voor – kort gezegd – de diensten die NMBV ten behoeve van de te bereiken synergie tussen beide ondernemingen zou verrichten.
board resolutions’ genomen.
Vice Presidentvan Nissan en
Vice Executive Officervan Mitsubishi, en door [appellant] getekend als werknemer, is vermeld dat [appellant] met ingang van 1 april 2018 (uit dienst treedt van NIH en) in dienst treedt van NMBV in de functie van
managing directortegen een jaarsalaris van € 5.820.000,00 (kennelijk) bruto, inclusief emolumenten. Tevens is vermeld dat [appellant] aanspraak heeft op een
“sign-on bonus”van € 1.940.000,00 bruto. Volgens een arbeidsovereenkomst van dezelfde datum en met verder dezelfde bepalingen heeft [appellant] aanspraak op een “
sign-on bonus” van € 1.455.000,00 bruto. Ook deze overeenkomst is namens NMBV door [naam 3] getekend.
3.Beoordeling
sign-on bonus(partieel) nietig zijn:
sign-on bonusen (y) het netto equivalent van het door NMBV verschuldigde salaris over de periode 1 april 2018 tot 19 november 2018, met wettelijke rente;
sign-on bonus:
grief 1 in het principale hoger beroepkomt [appellant] op tegen het in overweging 34 van de bestreden eindbeschikking vervatte oordeel van de rechtbank dat tussen hem en NMBV geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat daarom al zijn tegen NMBV gerichte (primaire) verzoeken worden afgewezen. Tevens klaagt [appellant] met deze grief tegen de gronden waarop voormeld oordeel berust, zoals neergelegd in de overwegingen 18 tot en met 33 van die beschikking. Het hof zal in dit verband ook
de tweede grief 5 in het principale hoger beroep, voor zover nog niet besproken, behandelen.
The employee’getekend, en (alleen) [naam 3] heeft dat gedaan boven de woorden ‘
The Employer’.
Shareholders Agreement– dat ‘het Bestuur’, destijds bestaande uit [appellant] , [naam 1] en [naam 2] , de beloning en andere voorwaarden vaststelt die op de directeuren van toepassing zijn. Artikel 8.4.1 van de statuten houdt in dat de vennootschap wordt vertegenwoordigd door ‘het Bestuur’. Daaruit volgt – behoudens eventuele andersluidende bepalingen – dat individuele bestuurders niet vertegenwoordigingsbevoegd waren.
board resolution’ (besluit) van 19 januari 2018. Dit besluit (hierna: de eerste volmacht) luidt, voor zover van belang, als volgt:
To grant power of attorney to:
- a)
- b)
Notwithstanding the resolution set out in paragraph 1 above, the performance in any financial year of legal acts in the Company’s name by [appellant] or [naam 3] pursuant to powers of attorney granted in paragraph 1 above shall not exceed the Company’s annual budget, as agreed or amended form time to time by the board of directors.
maandsalaris van [appellant] lager was dan € 1 miljoen, faalt dat betoog op grond van de omstandigheid dat het belang/de waarde van de arbeidsovereenkomst genoemd bedrag – en dus het bedrag van [naam 3] bevoegdheid – ruimschoots overschrijdt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst inhoudt dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan (artikel 1.1) en dat zowel salaris (€ 5.820.000,00) als
sign-on bonus(€ 1.940.000,00/€ 1.455.000,00) op jaarbasis wordt vermeld (artikel 2.1). Omdat de daarin opgenomen renumeratie een essentieel onderdeel van de arbeidsovereenkomst was, kan niet met vrucht worden verdedigd dat [naam 3] de arbeidsovereenkomst, afgezien van die renumeratie, op grond van de eerste volmacht rechtsgeldig kon sluiten. Anders gezegd: de arbeidsovereenkomst kan niet worden geabstraheerd van de daarin opgenomen beloning.
board resolution’ van 19 januari 2018, waarbij [naam 3] volmacht is verleend om NMBV te vertegenwoordigen bij het tekenen van de
Shareholders Agreementen om namens NMBV alle (rechts)handelingen te verrichten die hij nodig of wenselijk acht in verband met het sluiten van of de uitvoering van de
Shareholders Agreement(hierna: de tweede volmacht). Zoals de rechtbank – in overweging 28 van de bestreden eindbeschikking – terecht heeft overwogen, is het vaststellen van de beloning van bestuurders van NMBV (en dus het sluiten met een van hen, [appellant] , van een arbeidsovereenkomst met een daarin opgenomen beloning), ook volgens de
Shareholders Agreementeen bevoegdheid van het bestuur. Uit niets blijkt dat het bestuur deze bevoegdheid aan [naam 3] heeft gedelegeerd of hem te dezen een verdergaande volmacht heeft verleend dan in de eerste volmacht is neergelegd. Dat de bevoegdheid van [naam 3] zou kunnen worden gebaseerd op een derde ‘
board resolution’ van 19 januari 2018, waarbij hem volmacht is verleend om NMBV te vertegenwoordigen bij- en om namens NMBV alle handelingen te verrichten die nodig zijn voor het openen, beheren en sluiten van bankrekeningen, is door [appellant] (terecht) niet verdedigd.
is for miscellaneous disbursements including for example consultancy fees”, ligt eerder voor de hand te veronderstellen dat [naam 3] tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten, laat staan met een waarde als die van de onderhavige, in het geheel niet bevoegd was.
Selbsteintrittop zichzelf niet – had hij dat op voldoende duidelijke wijze in de arbeidsovereenkomst moeten laten opnemen respectievelijk de arbeidsovereenkomst op dit punt moeten laten aanpassen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Het enkele feit dat [appellant] en [naam 3] , zoals [appellant] nog heeft gesteld, beoogden samen een geldige arbeidsovereenkomst tot stand te brengen maakt dat niet anders. Ten slotte geldt de laatste volzin van overweging 3.6.10 – mutatis mutandis – ook ten aanzien van [appellant] .
board resolutionvan 19 januari 2018 (waarbij aan hem de bevoegdheid is gedelegeerd om
incentive commitments and paymentsvast te stellen; de vierde volmacht), stuiten erop af dat [appellant] de arbeidsovereenkomst alleen als werknemer van NMBV – en niet als haar vertegenwoordiger – heeft gesloten en dus zichzelf geen beloning hééft toegekend. Mede gelet op het feit dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die hij – naar hij stelt – had om de overeenkomst
formeelnamens NMBV te sluiten, bestaat er, gezien al het voorgaande, aanleiding noch grond om te oordelen dat hij te dezen
informeelnamens NMBV heeft gehandeld.
[naam 3]bevoegd was de onderhavige arbeidsovereenkomst namens NMBV te sluiten. Het hof verwijst hier kortheidshalve verder naar de overwegingen 3.6.3 en 3.6.12 (laatste volzin).
senior executivesniet door het bestuur de schijn gewekt dat [naam 3] (ook) tot het sluiten van de onderhavige arbeidsovereenkomst bevoegd was.
feitelijkvan NMBV loonbetalingen heeft ontvangen, volgt uit een en ander niet dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en NMBV. De werkzaamheden zijn immers verricht en de betalingen zijn gedaan op grond van een niet bevoegdelijk namens NMBV gesloten arbeidsovereenkomst. In een situatie als de onderhavige, waarin tussen [appellant] en NMBV niet alleen geen arbeidsovereenkomst maar in het geheel geen overeenkomst bestond op grond waarvan [appellant] werkzaamheden ten behoeve van NMBV heeft verricht, dient de vraag of en in hoeverre [appellant] door NMBV voor die werkzaamheden dient te worden betaald te worden beantwoord op basis van algemene civielrechtelijke leerstukken, zoals verderop in dit arrest (overweging 3.8.1 e.v.) ook zal gebeuren.
grief 2 in het principale hoger beroepkomt [appellant] op tegen het in overweging 65 van de bestreden eindbeschikking neergelegde oordeel van de rechtbank dat NMBV in haar tegenverzoeken kan worden ontvangen, alsmede tegen de gronden waarop dat oordeel berust, zoals neergelegd in de overwegingen 53 tot en met 64 van die beschikking.
Grief 1 in het incidentele hoger beroephoudt in dat de rechtbank ten onrechte heeft afgewezen de door NMBV in eerste aanleg van [appellant] gevorderde betaling van een bedrag van € 2.843.426,00 wegens door haar aan de belastingdienst afgedragen loonbelasting in verband met de aan [appellant] betaalde salarisbetalingen. De beide kwesties houden ten nauwste met elkaar verband en zullen gezamenlijk worden behandeld.
sign-onbonus (gebaseerd op een bonus van € 1.940.000,00 bruto), vooruitbetaald netto salaris over 2019 en de Renault-betaling. Het gevorderde bedrag van € 2.843.426,00 betreft, als gezegd, door NMBV namens [appellant] betaalde loonbelasting.
verweeris tegen het op artikel 6:203 lid 2 BW Pro gebaseerde vordering van NMBV, die terugbetaling van door haar aan [appellant] betaalde bedragen wenst, maar een beroep is op een
tegenvorderingvan [appellant] op grond van laatstgenoemde artikelen die hij met die van NMBV wenst te verrekenen. [appellant] onderkent dit overigens ook.
sign-onbonus, de Renault-betaling en de over 2019 gedane voorschotbetalingen op het salaris geen prestatie van [appellant] staat waarvan de waarde door haar zou moeten worden vergoed. Voor wat betreft de
sign-onbonus en de Renault-betaling behoeft dit geen betoog, met dien verstande dat wordt opgemerkt dat de door [appellant] gestelde omstandigheid dat de
sign-onbonus hem is toegekend vanwege door hem bij Nissan gemist loon over de periode december 2017 tot en met maart 2018 dit niet anders maakt. Met het oog op de door NMBV in 2018 gedane salarisvoorschotten over 2019 wijst het hof erop dat [appellant] in november 2018 in Japan is gearresteerd en daar – behoudens een korte onderbreking in het voorjaar van 2019 – tot eind december 2019 gedetineerd is geweest. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] tijdens zijn detentie en/of tijdens de onderbreking daarvan (relevante) werkzaamheden ten behoeve van NMBV heeft verricht. Er is in zoverre dus geen waarde van door [appellant] verrichte prestaties die door NMBV zou moeten worden vergoed. [appellant] heeft ten slotte – en hier gaat het overigens wel om een verweer tegen de vordering van NMBV – bezien tegen al het voorgaande niet duidelijk weten te maken waarom het naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat NMBV van hem terugvordert wat zij hem onverschuldigd heeft betaald en waarop als voormeld geen bedrag ter zake van waardevergoeding in mindering behoeft te worden gebracht.
grief 2 in het incidentele hoger beroepbetoogd dat deze niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, pas met ingang van 26 maart 2020, de datum van het door NMBV gedane tegenverzoek, moet worden toegewezen, maar per de respectieve data van ontvangst door [appellant] van de betrokken bedragen. NMBV legt hieraan ten grondslag dat [appellant] ten tijde van de ontvangst van de betaling telkens te kwader trouw was in de zin van artikel 6:205 BW Pro, zodat hij telkens zonder ingebrekestelling in verzuim was.
sign-onbonus, de salarisvoorschotten over 2019 en de Renault-betaling. De grief faalt, omdat NMBV onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat [appellant] wist of vermoedde dat deze betalingen niet verschuldigd waren. Hoezeer de arbeidsovereenkomst tussen hem en NMBV ook ongeldig was, [appellant] is er – door op grond daarvan werkzaamheden voor NMBV te verrichten – kennelijk vanuit gegaan dat deze wel geldig was en dat hij dus tot de uit hoofde daarvan aan hem gedane betaling ter zake van de
sign-onbonus, gerechtigd was. Voor wat betreft de voorschotten over 2019 geldt dat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] ten tijde van de desbetreffende betalingen al wist of vermoedde dat NMBV dit (vermeende) salaris over 2019 niet verschuldigd zou blijken te zijn omdat hij daartegenover (als gevolg van zijn detentie in Japan) geen werkzaamheden zou verrichten. Voor het overige volgt op dit punt uit de eigen stellingen van NMBV dat [naam 3] [appellant] in diens opdracht en om door [appellant] aangegeven fiscale redenen de voorschotten heeft betaald. Wat daarvan zij in het kader van de belastingmoraliteit van [appellant] , in de relatie tussen NMBV en [appellant] valt tegen die achtergrond niet te zien waarom laatstgenoemde bij de inontvangstneming van de voorschotten te kwader trouw in de zin van artikel 6:205 BW Pro zou zijn geweest. Wat betreft de Renault-betaling wordt opgemerkt dat, gezien de gemotiveerde betwisting door [appellant] , niet kan worden aangenomen dat laatstgenoemde dit bedrag heeft verduisterd en moet het ervoor worden gehouden dat [appellant] er steeds vanuit is gegaan dat dit hem door NMBV betaalde bedrag vroeg of laat aan NMBV zou moeten worden terugbetaald of met haar zou moeten worden verrekend. Ook in zoverre kan dan ook niet worden aangenomen dat [appellant] ten tijde van de ontvangst ervan wist of vermoedde dat de betaling niet verschuldigd was; kennelijk ging [appellant] uit van een hem door NMBV verstrekte (renteloze) lening.
eerste grief 5 in het principale hoger beroephoudt in dat de rechtbank bij de bestreden tussenbeschikking ten onrechte het verzoek van [appellant] NMBV c.s. te bevelen hem afschrift te verstrekken van een aantal in het incidentele verzoekschrift concreet genoemde stukken heeft afgewezen en strekt ertoe dat het hof dit verzoek alsnog toewijst.
grief 6 in het principaal hoger beroepdie daartegen is gericht – voor wat betreft de ten laste van [appellant] uitgesproken kostenveroordelingen in de hoofdzaak en in het incident. [appellant] dient immers in eerste aanleg ten aanzien van zowel het incident als de in de hoofdzaak gedane verzoeken en tegenverzoeken als de (voor wat betreft de tegenverzoeken: grotendeels) in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt.
grief 3 in het incidentele hoger beroephet hof verzocht de bestreden eindbeschikking, voor zover veroordelingen bevattend, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal dat verzoek toewijzen. Het verweer van [appellant] dat NMBV c.s. te dezen een belang hadden moeten stellen wordt van de hand gewezen, omdat het hoger beroep ook dient om eventuele fouten in de eerste aanleg te herstellen, zoals het verzuim om uitvoerbaar bij voorraadverklaring te verzoeken. Het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van NMBV c.s. behoefde en behoeft daarom niet te worden gemotiveerd. Het hof wil wel aannemen dat [appellant] er belang bij heeft de bestaande toestand te laten duren totdat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, maar dat belang weegt niet op tegen het evidente belang van NMBV c.s. om nu reeds tot tenuitvoerlegging van de bestreden eindbeschikking, voor zover bekrachtigd, over te gaan en daarmee betaling van [appellant] van het haar toekomende te verkrijgen.