3.1.Het gaat in deze zaak om het volgende.
( i) Met ingang van 1 juli 1985 is de rechtsvoorganger van [geïntimeerde] met de vader van [appellant] , [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] ), en de moeder van [appellant] , [naam 2] , een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot de woning gelegen aan de [straatnaam] 59-H te ( [postcode] ) [plaats] (verder: de woning). Het betreft een 5-kamerwoning van ongeveer 135 m2. De huur bedraagt thans € 1.360,88 per maand en het voorschot servicekosten € 400,00.
(ii) Op 28 mei 2004 is [geïntimeerde] eigenaar van de woning geworden. Ook heeft zij per die datum de huurovereenkomst met de ouders van [appellant] voortgezet.
(iii) Op 10 december 2011 heeft [appellant] (geboren op [geboortedatum 2] ) zich op het adres van de woning ingeschreven. Hij heeft samen met zijn vader als mantelzorger voor zijn moeder gezorgd.
(iv) In 2012 is de moeder van [appellant] overleden. [appellant] is gaandeweg steeds meer mantelzorger voor zijn vader geweest.
( v) Op 29 september 2019 is de vader van [appellant] overleden.
(vi) Bij brief van 17 oktober 2019 heeft de beheerder van [geïntimeerde] (verder: [bedrijf 1] ) de erven verzocht de woning op te leveren.
(vii) Bij brief van 11 november 2019 heeft [appellant] aan [bedrijf 1] , voor zover van belang, meegedeeld dat hij in de woning verblijft om te revalideren, een hartstilstand heeft gehad en dat zijn herstel mogelijk meer dan één jaar zal duren. Ook heeft [appellant] in deze brief aan [bedrijf 1] gevraagd of hij de woning op een latere termijn mag opleveren.
(viii) Bij brief van 23 december 2019 heeft [bedrijf 1] aan [appellant] , voor zover van belang, meegedeeld dat het voor haar als een volslagen verrassing komt dat [appellant] in de woning zou wonen en dat hem uit coulance wordt toegestaan om tot 1 november 2020 in de woning te verblijven.
(ix) [appellant] heeft bij brief van 14 februari 2020 aan de beheerder meegedeeld dat hij niet van plan is om langer in de woning te blijven dan dat zijn medische toestand verlangt. Ook heeft [appellant] in deze brief meegedeeld dat hij de dagvaarding in eerste aanleg heeft laten uitbrengen.
( x) In een brief van 5 maart 2020 heeft [appellant] aan zijn toenmalige advocaat geschreven dat zijn vader een financiële deelname aan de kosten van de huishouding altijd heeft afgewezen en dat daar niet aan te tornen viel. Daarnaast heeft [appellant] , die zichzelf aanduidt als ‘de zoon’, onder meer het volgende geschreven:
“De zoon had geen eigen inkomen van betekenis en is maandelijks ondersteund door zijn oudere broer.
De zoon verrichtte het inkopen van de benodigde levensmiddelen voor beiden. Hiervoor werd de bankpas van de gezamenlijke rekening gebruikt. (…) Daarnaast waren er aankopen van kleine aard die de zoon contant verrichtte (…) en dit komt neer op een maandelijks bedrag van omstreeks Euro 220,00.
(…)
De huidige situatie is dat de zoon de huurkosten kan betalen uit het ontvangen aandeel van het vermogen van de vader. De oudere broer kan desgewenst de nodige kosten van levensonderhoud aanvullen. (…)”
(xi) [appellant] heeft een aantal verklaringen overgelegd van familie, vrienden en buren. Deze personen hebben onder meer verklaard dat de zoon en zijn vader samenwoonden, dat zij samen boodschappen deden en dat zij samen op vakantie en op familiebezoek gingen.