ECLI:NL:GHAMS:2022:2314
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing van onderbewindstelling wegens afwezigheid van problematische schulden
De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de beschikking van de kantonrechter die haar verzoek tot opheffing van het bewind had afgewezen. Het bewind was ingesteld vanwege problematische schulden en een vermeende onvermogen om haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen.
Het hof stelt vast dat het bewind oorspronkelijk was ingesteld vanwege schulden en niet vanwege een lichamelijke of geestelijke toestand. Uit een recent psychiatrisch onderzoek blijkt geen bijzondere beperkingen bij de rechthebbende. De schulden betreffen oude bedrijfsschulden aan de Belastingdienst, waarvoor geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen gezien haar leeftijd en situatie.
De rechthebbende beschikt over een banksaldo en leefgeldrekening waarmee zij goed uitkomt. De bewindvoerder betwijfelt haar financiële zelfredzaamheid, mede vanwege een lopende procedure over onderhoudsproblemen aan haar huurwoning, maar deze argumenten zijn onvoldoende voor voortzetting van het bewind. De kinderen van de rechthebbende hebben verklaard bereid te zijn haar te ondersteunen.
Daarom oordeelt het hof dat de noodzaak voor het bewind is komen te vervallen en heft het bewind op. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na het einde van het bewind verantwoording afleggen. De beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en de beschikking van het hof is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op omdat de schulden niet langer problematisch zijn en de rechthebbende haar financiële belangen zelf kan behartigen.