Belanghebbende had een aanvraag ingediend om op twee extra dagen een standplaats in te nemen. De gemeente legde hiervoor een legesnota van €22,25 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze legesheffing, stellende dat de heffingsambtenaar hem niet de gelegenheid had gegeven om zijn bezwaargronden aan te vullen en dat de aanvraag niet in behandeling had mogen worden genomen omdat het besluit pas na de betreffende dagen zou volgen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was belanghebbende uitdrukkelijk de mogelijkheid te bieden om het bezwaar aan te vullen, omdat het bezwaar niet niet-ontvankelijk was verklaard maar inhoudelijk ongegrond. Tevens was de gemeente redelijk in het in behandeling nemen van de aanvraag, omdat belanghebbende was gewezen op de mogelijkheid tot intrekking en deze mogelijkheid niet had benut.
Ten slotte overwoog het hof dat de hoogte van de leges niet in directe verhouding hoeft te staan tot de omvang van de werkzaamheden, maar dat de opbrengstlimiet in de verordening niet was overschreden. De legesnota was daarmee terecht opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.