ECLI:NL:GHAMS:2022:1936
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep erkenning kind door man niet strijdig met Nederlandse openbare orde
De zaak betreft een geschil over de erkenning van een minderjarig kind door een man, waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand het verzoek tot erkenning had geweigerd op grond van vermeend misbruik van bevoegdheid en strijd met de Nederlandse openbare orde.
De ambtenaar stelde dat de erkenning een schijnerkenning was, bedoeld om verblijf in Nederland te verkrijgen, en dat de man geen biologische vader was en geen sociale vaderrol vervulde. De man en de vrouw betwistten dit en stelden dat de man zich als vader voelt, betrokken is bij het kind en zijn recht op familieleven wil veiligstellen.
Het hof stelde vast dat de man bevoegd is tot erkenning en dat er geen beletsel is zoals bedoeld in artikel 1:204 BW Pro. Het hof oordeelde dat onvoldoende is gebleken dat de erkenning uitsluitend is bedoeld om verblijf te verkrijgen. Uit verklaringen en bewijsstukken bleek een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind. Biologisch vaderschap is niet relevant voor de beoordeling.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank die het besluit van de ambtenaar tot weigering van erkenning vernietigde en de ambtenaar gelastte alsnog de akte van erkenning op te maken.
Uitkomst: De erkenning van het kind door de man is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en de ambtenaar wordt gelast de akte van erkenning op te maken.