Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:1800

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
200.303.013/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 RvArt. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954Art. 1.7 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zekerheidstelling proceskosten op grond van Haags Rechtsvorderingsverdrag

In deze civiele procedure in hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam een incidentele vordering van Bodyfashion Distribution B.V. tot zekerheidstelling voor proceskosten afgewezen. De vordering was gericht tegen Ilyada Konfeksiyon Sanayi Ticaret Limited Sirketi, een vennootschap gevestigd in Turkije. Bodyfashion vorderde dat Ilyada binnen vier weken zekerheid zou stellen voor proceskosten tot een bedrag van € 6.195,-, onder dreiging van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Ilyada beriep zich op de uitzondering in artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), die stelt dat geen zekerheid hoeft te worden gesteld indien dit voortvloeit uit een verdrag. Het hof oordeelde dat artikel 17 van Pro het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 van toepassing is, omdat Ilyada statutair in Turkije is gevestigd en als onderdaan van die staat wordt aangemerkt. Dit artikel verbiedt zekerheidstelling voor proceskosten aan onderdanen van verdragsluitende staten die in die staten hun domicilie hebben wanneer zij als eisers optreden voor rechtbanken van een andere verdragsstaat.

Het hof concludeerde dat het beroep van Ilyada op artikel 17 slaagt Pro en wees de vordering van Bodyfashion af. Daarnaast oordeelde het hof dat Bodyfashion, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak zal worden veroordeeld in de kosten van het incident. Voorts verwierp het hof het standpunt van Ilyada dat het recht van Bodyfashion op het nemen van een memorie van antwoord was komen te vervallen, maar verkortte de termijn voor het indienen daarvan tot vier weken. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol van 19 juli 2022 voor verdere behandeling.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen vanwege toepassing van artikel 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag.

Uitspraak

arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.303.013/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/691807 / HA ZA 20-1062
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2022
inzake
de vennootschap naar Turks recht
ILYADA KONFEKSIYON SANAYI TICARET LIMITED SIRKETI,
gevestigd te Maltepe, gemeente Istanbul (Turkije),
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam,
tegen:
BODYFASHION DISTRIBUTION B.V.,
gevestigd te Maassluis,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident
advocaat: mr. L. van Leeuwen te Haarlem.
Partijen worden hierna Ilyada en Bodyfashion genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Ilyada is bij dagvaarding van 7 oktober 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2021 voor zover dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer in conventie is gewezen tussen Ilyada als eiseres, gedaagde in het verzet (geopposeerde), en Bodyfashion als gedaagde, eiseres in het verzet (opposante).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties, van Ilyada;
- incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van Bodyfashion;
- conclusie van antwoord in het incident van Ilyada.
Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.
Bodyfashion heeft incidenteel gevorderd dat het hof Ilyada zal bevelen om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, binnen vier weken na het incidenteel arrest zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in de onderhavige procedure veroordeeld zou kunnen worden voor een bedrag van € 6.195,-, althans voor een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven onherroepelijke bankgarantie conform NVB-model, die ook verhaal dient te bieden voor een proceskostenveroordeling in de hoofdzaak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, en dat het hof het geding in de hoofdzaak zal schorsen totdat Ilyada deze zekerheid heeft gesteld, met veroordeling van Ilyada in de kosten van het incident, te vermeerderen met nakosten en rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Ilyada heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met
– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Bodyfashion in de kosten van het incident. Verder heeft Ilyada het hof verzocht te bepalen dat het recht van Bodyfashion op het nemen van een memorie van antwoord is komen te vervallen en het hof gevraagd in de hoofdzaak arrest te wijzen.

2.Beoordeling

In het incident
2.1.
Bodyfashion heeft op de voet van artikel 224 Rv Pro zekerheidstelling voor de proceskosten verzocht. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden. Lid 2 van genoemd artikel bevat een aantal uitzonderingen op voormelde (hoofd)regel. Artikel 224 Rv Pro is op grond van artikel 353 in Pro hoger beroep – behoudens in een zich hier niet voordoend uitzonderingsgeval – van overeenkomstige toepassing.
2.2.
Ilyada is gevestigd in Turkije en was in eerste aanleg (in conventie) eisende partij. Dit betekent dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro in beginsel verplicht is tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Ilyada heeft echter een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder a Rv. Daarin is bepaald dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening. In dit verband heeft Ilyada gewezen op artikel 17 van Pro het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, Trb. 1954, 40; hierna: het Verdrag).
2.3.
Zowel Turkije als Nederland is partij bij het Verdrag. Artikel 17 lid 1 van Pro het Verdrag luidt:
“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”
2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat Ilyada statutair in Turkije is gevestigd. Daarmee staat vast dat Ilyada in Turkije domicilie heeft. Omdat zij, voorts, als onderdaan van die staat in de zin van het Verdrag moet worden aangemerkt, slaagt het beroep van Ilyada op artikel 17 lid 1 van Pro het Verdrag. De incidentele vordering tot zekerheidstelling van Bodyfashion zal dan ook worden afgewezen.
2.5.
Bodyfashion zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.
In de hoofdzaak
2.6.
Ilyada heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 1.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven het recht van Bodyfashion op het nemen van een memorie van antwoord is vervallen. Bodyfashion heeft deze memorie immers, ook nadat aan haar uitstel was verleend, niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. Het hof volgt Ilyada hierin niet. De enkele omstandigheid dat Bodyfashion binnen de aan haar daarvoor verleende en reeds (ambtshalve) verlengde termijn geen memorie van antwoord heeft ingediend maar de onderhavige incidentele vordering heeft ingesteld, brengt niet mee dat op grond van (artikel 1.7 van) genoemd procesreglement haar recht op het indienen van die memorie is komen te vervallen. Het hof ziet in deze omstandigheid echter wel aanleiding om de termijn voor het verrichten van die proceshandeling door Bodyfashion te verkorten van zes naar vier weken en zal de hoofdzaak daartoe naar de rol verwijzen.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2022 voor het nemen van een memorie van antwoord door Bodyfashion;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L. Alwin en H. Struik en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2022.