Uitspraak
mr. J.G.D. Fleers, kantoorhoudende te Utrecht,
mr. J. van den Berg, kantoorhoudende te Rotterdam.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert eiser, houdende 95% van de aandelen in vennootschap [C], de overdracht van de resterende aandelen van gedaagde tegen een door de Ondernemingskamer vast te stellen prijs. Gedaagde betwist de voorgestelde prijs en vordert inzage in diverse financiële en administratieve bescheiden om de waarde te kunnen beoordelen.
De Ondernemingskamer overweegt dat eiser gerechtigd is tot uitkoop op grond van artikel 2:201a BW, aangezien hij 95% van het geplaatste kapitaal houdt. De vordering tot overdracht wordt in beginsel toegewezen, maar de prijs moet nog worden vastgesteld. De vaste jurisprudentie bepaalt dat de peildatum voor de waardebepaling de datum van het tussenarrest is, hier 14 juni 2022.
Gedaagde heeft een incident ingediend tot afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv, maar heeft onvoldoende concreet belang en motivatie gegeven voor deze vordering. De Ondernemingskamer wijst dit af en gelast een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen, waarbij de kosten voor rekening van eiser komen. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.
De procedure betreft een complexe waardebepaling van aandelen in een vennootschap met hotelactiviteiten, waarbij financiële onregelmatigheden en de impact van de echtscheiding een rol spelen. De deskundige moet de waarde vaststellen met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen en een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen wordt bevolen met kosten voor rekening van eiser.