Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
“Enkele weken geleden hebben wij het gesprek gehad waarbij ik heb besloten bij Midvast te vertrekken. Het is geen gemakkelijke keuze en dat is het nog steeds niet. Een bedrijf waar veel kansen liggen en waar we samen hard voor hebben gewerkt. (…) Ook in de toekomst zou ik dat graag met je door willen zetten, op een andere manier weliswaar en niet meer in loondienstverband. (…) Zoals besproken blijven alle gemaakte afspraken staan en zal 30-6-2020 mijn laatste werkdag zijn (beëindiging dienstverband per 1-7-2020).”
a) in (Groot) Amsterdam op enigerlei wijze, direct of indirect, gehonoreerd of ongehonoreerd werkzaam of betrokken te zijn bij enig persoon, instelling, vennootschap, of onderneming die concurrerende, soortgelijke of aanverwante activiteiten ontplooit als de werkgever of de aan hem gelieerde ondernemingen, dan wel daarin of daarbij enig belang te hebben;
“We hebben vandaag gezeten om o.a. te praten over zaken die aan het licht zijn gekomen over jouw werkzaamheden hier op kantoor. Ik hoopte dat je uitleg kon geven, dat wilde je niet (...) Jij gaf aan inhoudelijk te reageren als je de adressen die wij bespraken van mij krijgt, bij deze:
“Voorlopig kan je dit e-mailadres gebruiken als het andere dingen zijn dan voor Midvast.”
“Voor de volledigheid dit is voorlopignietmet Midvast. Dit pak ik op met iemand anders (kom ik bij jullie op terug).”
“Zouden jullie het rapport op mijn privé naam willen zetten. En graag als e-mailadres [e-mailadres] gebruiken.”
“Graag [e-mailadres] gebruiken in het vervolg. Zal straks verder reageren.”
“Wij (ROCK, SFOS Holding BV ( [geïntimeerde] ) en [bedrijf 4] ( [naam 4] ,) hebben overeenkomst bereikt over de aankoop van
“Kreeg onderstaande e-mail, vind je het interessant om te
“Er komt een mooi (en unieke) kans voorbij om een kantoorruimte te betrekken op de [adres 1] , een ideale start voor mijn nieuwe bedrijf.”
“Is dit wat?”
3.Beoordeling
primair)een verklaring voor recht dat partijen geen concurrentie-, relatie- en/of nevenwerkzaamhedenbeding overeengekomen zijn;
(subsidiair)een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] met ingang van 13 juni 2020 door Midvast niet gehouden kan worden aan het tussen partijen overeengekomen concurrentie-, relatie- en/of nevenwerkzaamhedenbeding;
(meer subsidiair)gehele of gedeeltelijke vernietiging van het concurrentie- en of relatiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW Pro; (
primair, subsidiair en meer subsidiair) veroordeling van Midvast ex artikel 7:653 lid 5 BW Pro tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 7.560,- bruto per maand voor de duur dat [geïntimeerde] aan een beding als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW Pro was of is gebonden en opheffing van alle beslagen uit hoofde van het beslagverlof van 30 oktober 2020 gelegde conservatoire beslagen, met expliciete vermelding van de kadastrale gegevens in het dictum van het vonnis zodat [geïntimeerde] zelf om doorhaling kan verzoeken en, ten slotte, Midvast te veroordelen in de kosten van de procedure.
€ 171.000,- aan hoofdsom wegens verbeurde boetes, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2021, € 17.398,13 wegens onderzoekskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 september 2019, € 15.730,99 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 8e dag na betekening van het bestreden vonnis en voorts voor recht verklaard dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die Midvast heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het overtreden van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen nevenwerkzaamhedenbeding. Het in conventie meer of anders gevorderde is afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. De kantonrechter heeft, ten slotte, zowel in conventie als in reconventie [geïntimeerde] in de proceskosten veroordeeld, met nakosten.
na afloopvan het dienstverband, maar uitsluitend vanwege het in artikel 10 van Pro de arbeidsovereenkomst neergelegde verbod om
tijdenshet dienstverband Midvast – kort gezegd – concurrentie aan te doen. Dit laatste verbod is geen beding in de zin van artikel 7:653 BW Pro, nu deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op het na afloop van het dienstverband beconcurreren van de voormalige werkgever. Het in artikel 10 van Pro de arbeidsovereenkomst neergelegde verbod, waarvan Midvast stelt dat het door [geïntimeerde] is overtreden, is daarmee een niet op artikel 7:653 BW Pro gebaseerd verbod, maar een algemeen voorschrift tot de werknemer gericht. Artikel 7:650 BW Pro maakt het mogelijk dat op overtreding van zo’n voorschrift een boete wordt gesteld, maar dat moet schriftelijk gebeuren. De arbeidsovereenkomst met daarin genoemde bedingen is door partijen op 25 maart 2020 getekend en daarmee schriftelijk overeengekomen. Voorafgaand aan 25 maart 2020 zijn partijen niet schriftelijk overeengekomen dat de beperkende bedingen gelden. Over de periode voorafgaand aan 25 maart 2020 zijn daarmee geen boetes verschuldigd, aangezien op dat moment niet aan het schriftelijkheidsvereiste was voldaan. Midvast heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat de reactie van [geïntimeerde] in 2017 op de voorgelegde arbeidsovereenkomst voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste, doch daarin kan het hof Midvast niet volgen. [geïntimeerde] maakte in 2017 bezwaar tegen de ondertekening van de hem toen voorgelegde arbeidsovereenkomst, en een zodanig bezwaar maken kan niet worden opgevat als het voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste zoals neergelegd in artikel 7:650 BW Pro.