ECLI:NL:GHAMS:2022:1140

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
15 april 2022
Zaaknummer
23-002785-21 en 23-002786-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b ROArt. 517 SvArt. 512 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek tot verschoning van raadsheren in megazaak Pulheim

In de megazaak Pulheim heeft het hof op 15 april 2022 uitspraak gedaan over verzoeken tot verschoning van raadsheren en een verzoek tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. De verdediging van een verdachte had verzocht het hof te heroverwegen om de zaak te verwijzen, maar het hof handhaafde zijn eerdere beslissing van 18 februari 2022 om niet te verwijzen, met verwijzing naar de gegeven motivering.

Daarnaast stelde de verdediging vragen over mogelijke contacten tussen de leden van het hof en het slachtoffer, met het oog op mogelijke verschoning. Het hof benadrukte het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn en dat zij zich zelf moeten verschonen indien feiten of omstandigheden hun onpartijdigheid kunnen schaden.

Het hof stelde vast dat de geschetste indruk van frequente contacten tussen het slachtoffer en de raadsheren onjuist is. De raadsheren hadden het slachtoffer slechts zeer incidenteel als advocaat meegemaakt en geen niet-zittingsgerelateerde professionele of privécontacten met hem. Ook waren zij niet aanwezig bij de herdenkingsbijeenkomsten. Daarom concludeerde het hof dat er geen reden is voor verschoning van de raadsheren.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verwijzing af en verklaart dat geen van de raadsheren zich hoeft te verschonen wegens onpartijdigheid.

Uitspraak

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige strafkamer, op
1 en 15 april 2022(zittingslocaties respectievelijk Justitieel Complex te Schiphol en IJdok te Amsterdam).
Tegenwoordig zijn: […]
De voorzitter deelt mede de beslissingen op de verzoeken gedaan op de regiezitting in de megazaak Pulheim.
Beslissingen op het verzoek ingevolge artikel 62b RO en het verzoek aan de raadsheren om zich te verschonen
De raadsman van [verdachte 1] heeft het hof verzocht om de beslissing van 18 februari 2022, waarin het verzoek van de verdediging om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof is afgewezen, te heroverwegen. Het hof verwijst naar de bij de beslissing van 18 februari 2022 gegeven motivering om niet te verwijzen en volstaat daarmee.
De raadsman heeft opgemerkt dat, in het geval het hof bij de beslissing om niet te verwijzen blijft, de “verdediging zich helaas genoodzaakt (ziet) om te onderzoeken wat de aard, de frequentie en de intensiteit van (..) de contacten (van de leden van het hof) met [slachtoffer] zijn geweest, zodat wij geïnformeerd daar wel of niet een consequentie aan kunnen verbinden.” Hij heeft daarbij een aantal vragen geformuleerd met het verzoek deze als raadsheren afzonderlijk te beantwoorden. Hierbij heeft de raadsman opgemerkt dat de verdediging zich realiseert dat deze vragen “onorthodox” zijn.
Het hof begrijpt het verzoek van de raadsman aldus dat de vraag wordt gesteld of één of meerdere van de leden zich zou(den) moeten verschonen.
Gelet op het bepaalde in artikel 517 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in samenhang met artikel 512 Sv Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelt en zelf meent dat er feiten of omstandigheden bestaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, verzoeken zich te mogen verschonen.
Vooropstaat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.
Indien een rechter dan wel raadsheer voorafgaand aan de behandeling van een zaak constateert dat er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, treedt de rechter dan wel raadsheer niet op in de zaak. Dit principe is een kernwaarde voor het rechterschap en de professionaliteit van de rechtspraak.
Tegen de achtergrond van dit principe is het stellen van vragen, zoals door de raadsman gedaan, ongebruikelijk en onnodig. Desondanks zal het hof ingaan op de gestelde vragen. In dit geval ziet het hof mede de noodzaak tot beantwoording van de gestelde vragen omdat daaruit een zekere suggestie spreekt die elke feitelijke grondslag ontbeert.
Als uitgangspunt geldt dat voorafgaand aan de behandeling van de onderhavige zaak door elk van de raadsheren afzonderlijk uitdrukkelijk is stilgestaan bij de vraag of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit het feit dat door de raadsheren een aanvang is gemaakt met de behandeling van de zaak blijkt al dat deze vraag negatief is beantwoord.
Het hof merkt op dat het door de verdediging van [verdachte 1] geschetste beeld, inhoudende dat [slachtoffer] jarenlang dagelijks dan wel wekelijks bij deze leden van het hof op zitting kwam, volkomen onjuist is. Deze raadsheren hebben niet, dan wel in het verleden slechts zeer incidenteel, [slachtoffer] als advocaat op een zitting meegemaakt. Dat [slachtoffer] niet frequent op zitting kwam, wordt bevestigd door de [getuige A], die heeft verklaard dat [slachtoffer], naast zijn werkzaamheden in de “kroongetuige-zaak”, die zij vanaf medio 2017 samen deden, niet veel andere werkzaamheden had ([paginanummers]).
Deze raadsheren van het hof hebben, voor zover zij zich kunnen herinneren, geen ervaringen met [slachtoffer] in relatie tot bijgewoonde of gegeven cursussen.
Geen van deze raadsheren is naar de bijeenkomst op de rechtbank Amsterdam geweest op de dag van het overlijden van [slachtoffer] en zijn evenmin aanwezig geweest bij de op 4 oktober 2019 georganiseerde herdenkingsbijeenkomst van de Orde van Advocaten.
Er zijn ook overigens van deze raadsheren geen niet-zittingsgerelateerde professionele contacten geweest met [slachtoffer] voor zover zij zich kunnen herinneren. Er zijn geen privécontacten geweest met [slachtoffer].

Beslissingen op de onderzoekswensen

[…]
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.