ECLI:NL:GHAMS:2021:681
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en schorsing tenuitvoerlegging huurovereenkomst
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 9 maart 2021 uitspraak gedaan over incidenten in hoger beroep betreffende een vonnis van de kantonrechter dat een huurovereenkomst betrof. De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden, ontruiming gelast en de huurder veroordeeld tot betaling van huurachterstand. De verhuurder had gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard, terwijl de huurder incidenteel verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging.
Het hof overwoog dat de kantonrechter het vonnis reeds uitvoerbaar bij voorraad had verklaard in een aanvullend vonnis. De verhuurder had daardoor geen belang meer bij haar vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat deze werd afgewezen. De huurder stelde dat vanwege het coronavirus geen alternatieve bedrijfsruimte beschikbaar was en dat de oorspronkelijke huurovereenkomst niet meer bestond, wat het hof niet aannam.
Het hof oordeelde dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die een afwijking van het uitgangspunt van uitvoerbaarheid bij voorraad rechtvaardigden. Ook was geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. Daarom werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. De beslissing over de proceskosten werd aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak, die werd verwezen naar een latere rolzitting.
Uitkomst: Vorderingen tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en schorsing van de tenuitvoerlegging worden afgewezen.