Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 december 2020.
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 30 december 2020 legde verdachte een verklaring af waarin hij toegaf samen met een medeverdachte de drugs te hebben gefinancierd en gezamenlijk over de drugs te hebben beschikt. De drugs waren bedoeld voor verstrekking aan een groep vrienden op een feestje.
De verdediging voerde aan dat medeplegen niet bewezen kon worden omdat verdachte en medeverdachte niet gezamenlijk over de gehele hoeveelheid drugs beschikten. Het hof verwierp dit verweer op basis van de verklaring van verdachte en overige bewijsmiddelen, en concludeerde dat sprake was van medeplegen.
Daarnaast verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf vanwege een reeds verlengde proeftijd. Het vonnis van de politierechter werd bevestigd met aanpassingen in de bewijsconstructie.
Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor medeplegen van drugshandel met gezamenlijke financiering en beschikking over de drugs.