ECLI:NL:GHAMS:2021:4237
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing en verblijf minderjarige in neutraal pleeggezin
In deze zaak staat de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, die sinds februari 2021 in een neutraal pleeggezin verblijft na een vrijwillige uithuisplaatsing. De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beschikkingen van de kinderrechter die de uithuisplaatsing toestonden, terwijl de moeder en de gecertificeerde instelling (GI) deze beschikkingen willen bekrachtigen.
De vader betoogt dat het verzoek tot uithuisplaatsing een verkapt hoger beroep is en dat de uithuisplaatsing onnodig en schadelijk is voor de minderjarige. De moeder en GI stellen dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, waaronder uitspraken van de minderjarige over mishandeling en seksueel misbruik, die een uithuisplaatsing rechtvaardigen. De GI wijst op de emotionele onveiligheid en problematische hechting van de minderjarige, en het belang van een veilige, voorspelbare omgeving.
Het hof overweegt dat de nieuwe informatie na de beschikking van 7 juni 2021 een rechtvaardiging vormt voor de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Het onderzoek door de zedenpolitie leidde niet tot strafrechtelijke vervolging, maar de emotionele veiligheid van de minderjarige blijft zorgelijk. Het NIFP-onderzoek moet meer duidelijkheid geven over de gezinssituatie en opvoedmogelijkheden. Het hof acht het van belang dat de minderjarige in afwachting van dit onderzoek in een neutraal pleeggezin verblijft, waar het goed met haar gaat.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom bekrachtigd, en de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een eigen machtiging. Het hof benadrukt tevens de problematiek van lange wachtlijsten bij het NIFP, wat de besluitvorming over uithuisplaatsingen bemoeilijkt.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en de minderjarige blijft in afwachting van het NIFP-onderzoek in een neutraal pleeggezin.