Uitspraak
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
[A] B.V. (voorheen [B] B.V.),
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[C] B.V. (voorheen [C] V.O.F.),
[geïntimeerde sub 3],
[geïntimeerde sub 4],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat een incident centraal over de verplichting van appellant sub 1 om zekerheid te stellen voor proceskosten in hoger beroep, omdat hij geen woonplaats in Nederland heeft. De wederpartij vordert zekerheidstelling wegens vrees voor onverhaalbaarheid van een eventuele veroordeling, terwijl appellant sub 1 stelt dat hij thans in Polen woont en daardoor op grond van artikel 14 van Pro het Verdrag inzake de toegang tot de rechter geen zekerheid hoeft te stellen.
Het hof overweegt dat appellant sub 1 in eerste aanleg eisende partij was en geen woonplaats in Nederland heeft, waardoor hij in beginsel verplicht is zekerheid te stellen. Echter, artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder a Rv sluit die verplichting uit indien dit voortvloeit uit een verdrag, zoals artikel 14 van Pro het genoemde Verdrag. Het hof acht het aannemelijk dat appellant sub 1 in Polen woont en geeft de wederpartij gelegenheid om hierop te reageren met een akte.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door de wederpartij, waarna appellant sub 1 in beginsel niet meer zal mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze reactie is ontvangen.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere reactie over de woonplaats van appellant sub 1.