Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2021:3351

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
23-002737-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opzettelijke cocaïnehandel en wapenbezit met taakstraf en gevangenisstraf

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en een andere bewezenverklaring vastgesteld. Verdachte werd bewezenverklaard voor meervoudige handel in cocaïne, het opzettelijk aanwezig hebben van 116,86 gram cocaïne, het bezit van een boksbeugel en munitie.

De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Het hof heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, het gevaar voor de volksgezondheid en de veiligheid door drugs en wapens, en het persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn erkenning van schuld en pogingen tot gedragsverbetering.

Het hof legde een gevangenisstraf op van 6 maanden onvoorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een bedrag van €135,- in beslag genomen, maar het hof besloot dit bedrag terug te geven omdat onvoldoende verband met de strafbare feiten was aangetoond.

De uitspraak benadrukt het belang van strafrechtelijke aanpak van drugs- en wapenhandel en het bieden van kansen voor gedragsverbetering, met een passende straf die zowel afschrikwekkend als resocialiserend is.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en 240 uur taakstraf voor handel in cocaïne en wapenbezit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002737-19
datum uitspraak: 2 november 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-257306-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboortedatum] op [geboortedag] 1976,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is bij voormeld vonnis vrijgesproken van het onder 2 (impliciet cumulatief) ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van acht xtc-pillen. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 27 juni 2018 te Landsmeer en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Landsmeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 116,86 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Amsterdam een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
4.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Landsmeer, in elk geval in Nederland, munitie in de zin van art. 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2, lid 2, cat. III, van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 7.65x17 mm en/of vier kogelpatronen, kaliber 6.35x15 mm, voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 27 juni 2018 te Landsmeer en Amsterdam meermalen
opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne heeft verkocht.
2.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Landsmeer opzettelijk aanwezig heeft gehad 116,86 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
3.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.
4.
hij op of omstreeks 27 juni 2018 te Landsmeer, munitie in de zin van art. 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2, lid 2, cat. III, van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 7.65x17 mm en vier kogelpatronen, kaliber 6.35x15 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
De raadsman heeft bepleit om aan de verdachte een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende zeven maanden schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Het gebruik en de verspreiding van harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en leiden veelal – direct en indirect – tot diverse vormen van (andere) criminaliteit, onder andere doordat sommige gebruikers van deze drugs vermogensdelicten plegen om in hun verslaving te voorzien.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel en diverse munitie. Het voorhanden hebben van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
Gelet op het voorgaande en op de straffen die voor soortgelijke feiten door rechters worden opgelegd, acht het hof in beginsel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf zoals die in eerste aanleg door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd, passend.
In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met het volgende.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – net als ter terechtzitting in eerste aanleg – het aan hem ten laste gelegde bekend en verklaard in te zien dat hij straf verdient. Dit is op het hof oprecht overgekomen. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij zijn leven op orde probeert te krijgen. Hij zegt zijn cocaïnegebruik te hebben gestaakt, niet meer te gokken en om de week de zorg voor zijn zesjarige dochter te dragen. De onzekere uitkomst van deze strafzaak hangt echter als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd, hetgeen hem naar eigen zeggen van weerhoudt daadwerkelijk door te gaan met zijn leven. Tot slot houdt het hof in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop sedert de bewezen verklaarde feiten.
Om de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn bestaan verder op te bouwen, zal het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf beperken tot de duur van zes maanden. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten zal het hof aan de verdachte daarnaast een taakstraf voor de maximale duur opleggen. Met deze straffen beoogt het hof de verdachte in te scherpen dat hij zich in de toekomst verre houdt van het plegen van strafbare feiten.
In het voorgaande ligt besloten dat, met name gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf, zoals door de raadsman van de verdachte is verzocht.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder de verdachte is een bedrag van € 135,00 in beslag genomen, welk bedrag nog niet aan hem is geretourneerd. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat er een verband tussen het bewezenverklaarde en het inbeslaggenomen geld bestaat. Het hof zal derhalve beslissen dat het geld zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak onder feit 2 van het opzettelijk aanwezig hebben van acht xtc-pillen.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- Geld € 135,00.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. H.A. van Eijk en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 november 2021.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.